menu  

Joods Monument Arnhem
Joods Monument Arnhem

Toespraak burgemeester Ahmed Marcouch

Struikelstenen toespraak Ahmed Marcouch op 23-09-2026

Beste mensen,
In 1961 volgde Hannah Arendt in Jeruzalem het proces tegen Adolf Eichmann. Hij had een belangrijke rol gespeeld in de deportatie van honderdduizenden Joden naar getto’s en vernietigingskampen.

Zijn misdaden waren monsterlijk. Maar de man die ervoor terechtstond, sprak over zijn werk in de taal van bevelen, regels en plichten. Alsof de mensen die hij hielp deporteren niets meer waren dan kralen op een telraam. Wat Arendt in Eichmann zag, zou zij later omschrijven als de banaliteit van het kwaad.Ze schreef: “Het was pure gedachteloosheid - iets heel anders dan domheid - die hem ertoe bracht een van de grootste misdadigers van zijn tijd te worden.”
Gedachteloosheid betekende voor Arendt niet dat Eichmann zijn verstand niet gebruikte. 
Hij kon uitstekend bedenken hoe iets moest gebeuren. Wat ontbrak, was het vermogen werkelijk te doordenken wat hij deed. Zich te verplaatsen in de mensen die hij trof.
Juist daar werd het kwaad voor Arendt het meest huiveringwekkend. Niet alleen in de misdaden zelf. Maar in het feit dat iemand eraan kon meewerken zonder de mens die het betrof nog werkelijk te zien.


Misschien is dat ook waarom struikelstenen mij zo aangrijpen.

Joden werden door het naziregime stap voor stap ontmenselijkt. Hun rechten werden afgepakt. 
Hun vrijheid ontnomen. Hun wereld steeds kleiner. 
Tot zij niet meer als buren, collega’s of kinderen werden gezien, maar als een categorie die moest verdwijnen. Struikelstenen maken dat niet ongedaan, maar laten ons wel de mensen zien achter het dodental. Want op een struikelsteen staat niet alleen waar iemand is vermoord. Er staat eerst: Hier woonde. 

Misschien zijn dat wel de belangrijkste woorden op de steen. Hier, op de plek waar je nu staat, woonde iemand. Een mens. Met een naam en een gezicht. Hier werd gegeten, gelachen, ruziegemaakt. Hier kwamen vrienden over de vloer. Vanuit deze huizen gingen mensen naar school en naar hun werk. Ze deden boodschappen, kenden hun buren, kwamen bekenden tegen op straat. Ze maakten deel uit van buurten, van straten, van het dagelijks leven van Arnhem.

Ze woonden niet alleen in deze stad. Ze hoorden bij deze stad. Tot ze eruit werden weggerukt.

Vandaag leggen we struikelstenen voor 36 Arnhemmers.
Voor Eliaser de Bruin. Cera Kellerman. Nehemia de Bruin.
Voor Abraham de Lime. Henriëtte Gans. Alexander Louis de Lime. Jenny de Lime.
Voor Leentje Koppel. Eva Koppel. Elizabeth Koppel. Louis Koppel. Salomon Koppel.
Voor Philip Goldsmit. Martha Jacobs. Flora Goldsmit. Juda Goldsmit.
Voor Jacob Goldsmit. Kaatje Levie. Mietje Goldsmit. Koosje Goldsmit. Izaak Goldsmit. Leo Goldsmit.
Voor Nathan Nathans. Herman Nathans. Mathilde Schloss.
Voor Eliaser Bachrach. Sophia Cohen. Nathan Bachrach. Martha Bachrach.
Voor Saly Löwenhardt. Jeanne van Koppelen. Elly Löwenhardt.
Voor Lazarus Beem. Gerda Gimpel. Josephine Marion Beem.
En voor Sebilla Marcus.

Zesendertig namen. Zesendertig mensen die hier hebben geleefd.

Een van hen is Salomon Koppel. Hij werd geboren in 1943. Op 16 juli van datzelfde jaar werd hij in Sobibor vermoord. Nog geen jaar oud.Salomon had nog nauwelijks de kans gekregen om iemand te worden. Voor het naziregime deed dat er niet toe. Het zag geen mens. Het zag een J ood.

Aan de Jansstraat leggen we een steen voor Alexander Louis de Lime. Geboren in 1931. Vermoord in Auschwitz in 1942. Elf jaar oud. Alles wat Alexander maakte tot de persoon die hij was, deed er voor het regime niet toe. Dat hij Joods was, was genoeg.

En aan de Boulevard Heuvelink herdenken we Jacob Goldsmit. Hij werd geboren in 1871. Meer dan zeventig jaar later werd hij vermoord in Auschwitz. Zijn herinneringen, geliefden, eigenaardigheden: voor het regime telden ze niet. Het enige wat telde, was dat hij Joods was.

Salomon stond aan het begin van zijn leven. Alexander was nog een kind. Jacob had er al meer dan zeventig jaar op zitten. Drie totaal verschillende levens. Maar voor het naziregime telde uiteindelijk maar één ding.

Dit was wat Arendt zo huiveringwekkend vond aan Eichmann: hij kon mannen, vrouwen en kinderen naar vernietigingskampen laten vervoeren en daarover spreken alsof hij een logistiek probleem oploste.

Salomon was geen baby meer. Alexander geen jongen. Jacob geen oude man met een heel leven achter zich. Het waren vijanden geworden die moesten verdwijnen.

Struikelstenen kunnen niet herstellen wat hun is aangedaan. Maar deze stille ooggetuigen vragen ons wel om te blijven doen wat Eichmann volgens Arendt heeft nagelaten: de mens zien.
Ze vertellen ons: deze mensen waren hier. Ze hoorden bij ons. En op een dag waren ze er niet meer.

Dat kon gebeuren omdat mensen meededen. Maar ook omdat mensen wegkeken. Omdat ze dachten: dit gaat niet over mij. Dat begint met ontmenselijkende woorden. Als niemand tegenspreekt, volgt uitsluiting. En als ook daartegen niemand opstaat, kan uitsluiting omslaan in vervolging en geweld. Zo krijgt haat ruimte. Antisemitisme, racisme en fascisme beginnen bij dezelfde gedachte: dat het ene mens superieur is aan het andere.

Afgelopen zaterdag zagen we op het Malieveld dat deze gedachte in sommige hoofden nog springlevend is. Bij een extreemrechtse demonstratie klonken antisemitische leuzen en waren neonazistische symbolen en gebaren te zien. Wie onze geschiedenis kent, kan daar niet zwijgend aan voorbijgaan. Daartegen moeten we ons uitspreken. 

Ook nu moeten we ons verzetten wanneer mensen worden teruggebracht tot hun afkomst, hun geloof of de groep waartoe zij behoren.
Ook nu moeten we opstaan wanneer het leed van het ene mens minder lijkt te tellen dan dat van het andere. 
En ook nu moeten we luidkeels protesteren wanneer ‘kinderen’, ‘ouders’ en ‘grootouders’ verdwijnen achter woorden als ‘vijand’, ‘dreiging’ of ‘doelwit’.

Niets ontslaat ons van de plicht de mens in elkaar te blijven zien. Dát is wat Arendt ons nalaat.
Zodra wij ophouden de mens in de ander te zien, verliezen we niet alleen hem of haar uit het oog. Dan verliezen we ook een deel van onze eigen menselijkheid.

Daarom ben ik dankbaar dat deze stenen er komen.Dankbaar ook voor de plaquette bij het v oormalige Joodse Jongenshuis. Een plek waar tijdens de oorlog Joodse mensen onderdak vonden, van wie er uiteindelijk meer dan honderd werden vermoord.

Dankbaar voor de vele mensen die hebben bijgedragen. Voor iedere donateur die met een gift heeft geholpen om deze namen een plaats te geven in onze straten. Zonder jullie hadden we deze 36 stenen en de plaquette vandaag niet kunnen onthullen. En in het bijzonder wil ik Hein-Willem Leeraar bedanken. Voor alle tijd en aandacht die hij in dit initiatief steekt en voor de zorgvuldigheid waarmee hij ervoor zorgt dat iedere steen er komt.

Hein-Willem, dank je wel.

Straks liggen er opnieuw namen in onze straten. Namen waar we misschien dagelijks langs zullen lopen. Ik hoop dat we dat nooit gedachteloos doen.
Dat we af en toe stoppen, lezen en beseffen: Hier woonde een mens.

Dank u wel.

Struikelstenen →

Toespraak burgemeester Ahmed Marcouch

Struikelstenen toespraak Ahmed Marcouch op 23-09-2026

Beste mensen,
In 1961 volgde Hannah Arendt in Jeruzalem het proces tegen Adolf Eichmann. Hij had een belangrijke rol gespeeld in de deportatie van honderdduizenden Joden naar getto’s en vernietigingskampen.

Zijn misdaden waren monsterlijk. Maar de man die ervoor terechtstond, sprak over zijn werk in de taal van bevelen, regels en plichten. Alsof de mensen die hij hielp deporteren niets meer waren dan kralen op een telraam. Wat Arendt in Eichmann zag, zou zij later omschrijven als de banaliteit van het kwaad.Ze schreef: “Het was pure gedachteloosheid - iets heel anders dan domheid - die hem ertoe bracht een van de grootste misdadigers van zijn tijd te worden.”
Gedachteloosheid betekende voor Arendt niet dat Eichmann zijn verstand niet gebruikte. 
Hij kon uitstekend bedenken hoe iets moest gebeuren. Wat ontbrak, was het vermogen werkelijk te doordenken wat hij deed. Zich te verplaatsen in de mensen die hij trof.
Juist daar werd het kwaad voor Arendt het meest huiveringwekkend. Niet alleen in de misdaden zelf. Maar in het feit dat iemand eraan kon meewerken zonder de mens die het betrof nog werkelijk te zien.


Misschien is dat ook waarom struikelstenen mij zo aangrijpen.

Joden werden door het naziregime stap voor stap ontmenselijkt. Hun rechten werden afgepakt. 
Hun vrijheid ontnomen. Hun wereld steeds kleiner. 
Tot zij niet meer als buren, collega’s of kinderen werden gezien, maar als een categorie die moest verdwijnen. Struikelstenen maken dat niet ongedaan, maar laten ons wel de mensen zien achter het dodental. Want op een struikelsteen staat niet alleen waar iemand is vermoord. Er staat eerst: Hier woonde. 

Misschien zijn dat wel de belangrijkste woorden op de steen. Hier, op de plek waar je nu staat, woonde iemand. Een mens. Met een naam en een gezicht. Hier werd gegeten, gelachen, ruziegemaakt. Hier kwamen vrienden over de vloer. Vanuit deze huizen gingen mensen naar school en naar hun werk. Ze deden boodschappen, kenden hun buren, kwamen bekenden tegen op straat. Ze maakten deel uit van buurten, van straten, van het dagelijks leven van Arnhem.

Ze woonden niet alleen in deze stad. Ze hoorden bij deze stad. Tot ze eruit werden weggerukt.

Vandaag leggen we struikelstenen voor 36 Arnhemmers.
Voor Eliaser de Bruin. Cera Kellerman. Nehemia de Bruin.
Voor Abraham de Lime. Henriëtte Gans. Alexander Louis de Lime. Jenny de Lime.
Voor Leentje Koppel. Eva Koppel. Elizabeth Koppel. Louis Koppel. Salomon Koppel.
Voor Philip Goldsmit. Martha Jacobs. Flora Goldsmit. Juda Goldsmit.
Voor Jacob Goldsmit. Kaatje Levie. Mietje Goldsmit. Koosje Goldsmit. Izaak Goldsmit. Leo Goldsmit.
Voor Nathan Nathans. Herman Nathans. Mathilde Schloss.
Voor Eliaser Bachrach. Sophia Cohen. Nathan Bachrach. Martha Bachrach.
Voor Saly Löwenhardt. Jeanne van Koppelen. Elly Löwenhardt.
Voor Lazarus Beem. Gerda Gimpel. Josephine Marion Beem.
En voor Sebilla Marcus.

Zesendertig namen. Zesendertig mensen die hier hebben geleefd.

Een van hen is Salomon Koppel. Hij werd geboren in 1943. Op 16 juli van datzelfde jaar werd hij in Sobibor vermoord. Nog geen jaar oud.Salomon had nog nauwelijks de kans gekregen om iemand te worden. Voor het naziregime deed dat er niet toe. Het zag geen mens. Het zag een J ood.

Aan de Jansstraat leggen we een steen voor Alexander Louis de Lime. Geboren in 1931. Vermoord in Auschwitz in 1942. Elf jaar oud. Alles wat Alexander maakte tot de persoon die hij was, deed er voor het regime niet toe. Dat hij Joods was, was genoeg.

En aan de Boulevard Heuvelink herdenken we Jacob Goldsmit. Hij werd geboren in 1871. Meer dan zeventig jaar later werd hij vermoord in Auschwitz. Zijn herinneringen, geliefden, eigenaardigheden: voor het regime telden ze niet. Het enige wat telde, was dat hij Joods was.

Salomon stond aan het begin van zijn leven. Alexander was nog een kind. Jacob had er al meer dan zeventig jaar op zitten. Drie totaal verschillende levens. Maar voor het naziregime telde uiteindelijk maar één ding.

Dit was wat Arendt zo huiveringwekkend vond aan Eichmann: hij kon mannen, vrouwen en kinderen naar vernietigingskampen laten vervoeren en daarover spreken alsof hij een logistiek probleem oploste.

Salomon was geen baby meer. Alexander geen jongen. Jacob geen oude man met een heel leven achter zich. Het waren vijanden geworden die moesten verdwijnen.

Struikelstenen kunnen niet herstellen wat hun is aangedaan. Maar deze stille ooggetuigen vragen ons wel om te blijven doen wat Eichmann volgens Arendt heeft nagelaten: de mens zien.
Ze vertellen ons: deze mensen waren hier. Ze hoorden bij ons. En op een dag waren ze er niet meer.

Dat kon gebeuren omdat mensen meededen. Maar ook omdat mensen wegkeken. Omdat ze dachten: dit gaat niet over mij. Dat begint met ontmenselijkende woorden. Als niemand tegenspreekt, volgt uitsluiting. En als ook daartegen niemand opstaat, kan uitsluiting omslaan in vervolging en geweld. Zo krijgt haat ruimte. Antisemitisme, racisme en fascisme beginnen bij dezelfde gedachte: dat het ene mens superieur is aan het andere.

Afgelopen zaterdag zagen we op het Malieveld dat deze gedachte in sommige hoofden nog springlevend is. Bij een extreemrechtse demonstratie klonken antisemitische leuzen en waren neonazistische symbolen en gebaren te zien. Wie onze geschiedenis kent, kan daar niet zwijgend aan voorbijgaan. Daartegen moeten we ons uitspreken. 

Ook nu moeten we ons verzetten wanneer mensen worden teruggebracht tot hun afkomst, hun geloof of de groep waartoe zij behoren.
Ook nu moeten we opstaan wanneer het leed van het ene mens minder lijkt te tellen dan dat van het andere. 
En ook nu moeten we luidkeels protesteren wanneer ‘kinderen’, ‘ouders’ en ‘grootouders’ verdwijnen achter woorden als ‘vijand’, ‘dreiging’ of ‘doelwit’.

Niets ontslaat ons van de plicht de mens in elkaar te blijven zien. Dát is wat Arendt ons nalaat.
Zodra wij ophouden de mens in de ander te zien, verliezen we niet alleen hem of haar uit het oog. Dan verliezen we ook een deel van onze eigen menselijkheid.

Daarom ben ik dankbaar dat deze stenen er komen.Dankbaar ook voor de plaquette bij het v oormalige Joodse Jongenshuis. Een plek waar tijdens de oorlog Joodse mensen onderdak vonden, van wie er uiteindelijk meer dan honderd werden vermoord.

Dankbaar voor de vele mensen die hebben bijgedragen. Voor iedere donateur die met een gift heeft geholpen om deze namen een plaats te geven in onze straten. Zonder jullie hadden we deze 36 stenen en de plaquette vandaag niet kunnen onthullen. En in het bijzonder wil ik Hein-Willem Leeraar bedanken. Voor alle tijd en aandacht die hij in dit initiatief steekt en voor de zorgvuldigheid waarmee hij ervoor zorgt dat iedere steen er komt.

Hein-Willem, dank je wel.

Straks liggen er opnieuw namen in onze straten. Namen waar we misschien dagelijks langs zullen lopen. Ik hoop dat we dat nooit gedachteloos doen.
Dat we af en toe stoppen, lezen en beseffen: Hier woonde een mens.

Dank u wel.

 

Locatie Joods Monument Arnhem:
Kippenmarkt/Jonas Daniël Meijerplaats