menu  

Joods Monument Arnhem
Joods Monument Arnhem

 

 

 

 

Simon's Oliehandel aan de Driekoningendwarsstraat

Jans Askes

Vanuit Duitsland streek Moses Simon - roepnaam Moritz - in het Arnhemse Spijkerkwartier neer en bouwde daar een handel op in olie en aanverwante artikelen. Het familiebedrijf floreerde tot de Tweede Wereldoorlog. Door de bezetter werd het 'Joodse' bedrijf en zijn eigenaar getroffen door de anti-joodse maatregelen. Op oudejaarsdag 1941 werd Moritz ook nog eens betrapt op het illegaal luisteren naar de Engelse radio. Hij werd opgepakt en zou nooit meer thuiskomen. Ook zijn vrouw Ida en hun middelste zoon Heinz overleefden de oorlog niet. De beide andere zonen Jules en Rudi konden vluchten. Hieronder het verhaal van de familie Simon en de opkomst en ondergang van het bedrijf.

 

Moritz Simon en Ida Hirsch
Moses (Moritz) Simon werd in 1877 in Thalfang bij Trier geboren. Magnus Simon en Rosina Moos waren zijn ouders. Op jonge leeftijd vertrok hij naar Arnsberg ten oosten van Dortmund, waar de basis zou worden gelegd voor zijn bedrijf in Arnhem. Hij trof daar Simon Steinmann, een handelaar in oliën en vetten voor gebruik in de techniek. 'Simon Steinmann führte einen Handel mit technischen Ölen und Fetten', staat er in een boek over joden in Arnsberg en omgeving. Steinmann was getrouwd met Jettchen Hirsch, de zus van Ida Hirsch met wie Moritz Simon later mee zou trouwen. 
Kwam Moritz bij Steinmann aan het werk? Kwam hij daar zijn toekomstige vrouw Ida tegen? Het heeft er alle schijn van. Ida Hirsch werd in 1878 geboren in Burgsteinfurt zo’n 40 km over de grens bij Enschede. Zij was de jongste dochter van Hirsch Hirsch en Johanna Meijer. Selma Hirsch, een andere dochter, verhuisde in 1902 van Burgsteinfurt naar Arnhem waar zij met de Arnhemse handelaar Nathan Mogendorff trouwde.


Olie en vetwaren
In 1904 besluit Moritz om een bedrijf in olie en vetwaren te beginnen in Arnhem. Hij wordt daarin gesteund door zijn zwager Simon Steinmann in Arnsberg. Misschien gaan ze wel samenwerken, want Moritz richt zich op de import van zijn koopwaar. Zijn zwager Nathan Mogendorff uit Arnhem zal daartoe het nodige voorwerk hebben verricht. Eind november 1904 vertrekt Moritz naar Arnhem. Hij krijgt onderdak bij zijn toekomstige schoonfamilie aan de Driekoningendwarsstraat, een bescheiden straat in het Spijkerkwartier. Op nummer 69 vindt hij een geschikte woning en Moritz en Ida besluiten te trouwen. In de Arnhemsche Courant van 17 maart 1905 kondigt de gemeente Burgsteinfurt het voorgenomen huwelijk aan van Moritz en Ida, waarna het huwelijk in mei 1905 wordt voltrokken.

(Moritz Simon en Ida Simon-Hirsch, foto privé collectie)

 

Start aan de Driekoningendwarsstraat
Moritz Simon begint zijn bedrijf op zijn woonadres Driekoningendwarsstraat 69. Zijn zwager Nathan zal hem daarbij zeker hebben geholpen, hij kende de weg en sprak ook de Nederlandse  taal. Moritz zal tot en met 1941 te boek staan als grossier in olie- en vetwaren. Na de verhuizing naar nummer 38 blijft het pand op Driekoningendwarsstraat 69 in gebruik als magazijn. 
In de eerste twee jaar maakt hij als 'handelsagent' uitgebreid reclame in het Arnhems adressenboek met de focus op olie en vetwaren. Daarnaast verkoopt hij onder andere dekkleden, paardendekens, pakkingen voor machinerieën, poetskantoen, drijfriemen, carbolineum en teer. De keuze voor de handel in olie en vetwaren pakt goed uit. In 1917 wordt in de Arnhemsche Courant veelvuldig reclame gemaakt voor de import van oliën en vetten. Daarnaast wordt de aandacht gevestigd op de specialiteit in zadelmakersartikelen. Klanten kunnen zich melden op het adres Driekoningendwarstaat 38.

In 1919 staat het bedrijf op een stand bij een tentoonstelling en maakt daar reclame voor veel andere producten dan olie en vetten. Klanten kunnen zich nu ook melden bij het magazijn op Driekoningendwarstaat 69a. 

Uitbreiding aan de Telegraafstraat

Het bedrijf draait goed. De twee oudste zonen Jules en Heinz helpen mee in de zaak. Omstreeks 1930 vindt de eerste uitbreiding plaats en wel direct om de hoek in de Telegraafstraat, een doodlopend zijstraatje in de richting van de Steenstraat. Een pand komt daar vrij en het wordt in gebruik genomen voor de opslag van olie.

(Jongste zoon Rudi Simon, zijn moeder Ida Simon-Hirsch en Bram van der Horst ca 1930 in de Telegraafstraat met uiterst rechts olievaten, foto privé collectie)

 
Het werk trekt aan. De twee oudste zonen Jules en Heinz zijn dan al in de twintig en Rudi, de jongste gaat nog naar de HBS. Eind 1930 wordt in de Arnhemsche Courant een advertentie geplaatst voor een mannelijke jongste bediende. Er wordt niet meer geadverteerd onder de naam M. Simon, maar onder 'Simon’s Oliehandel' op Driekoningendwarsstraat 69a. Ook naar buiten toe is de onderneming een familiebedrijf geworden. De focus lijkt geheel op de handel in olie te liggen.
In de loop van 1938 komt het pand naast de olieopslag vrij. Het wordt bij het bedrijf getrokken. Tussen 1939-1942 staan de beide panden te boek als verfmenginrichting.


(
Moritz Simon, 5e van links op werkbezoek in Antwerpen 1936 bij Gulf, foto privé collectie)

10 mei 1940, uit bed gebeld

Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers Nederland binnen. Het bedrijf krijgt er direct mee te maken. In het boek van Margo Klijn, 'De stille slag, Joodse Arnhemmers,1933-1945'  lezen we het volgende:

'10 mei 1940. Aan de Rijnkade ligt een schip met een lading olie. Eigenaar is de firma Simon, een groot importbedrijf voor olie en benzine in de Driekoningendwarsstraat, met vlakbij, in de Telegraafstraat, een olieopslag en een verffabriek. Het is 10 mei 1940, de zon is nog niet op. Om ongeveer 4 uur worden [Moritz} Simon en zijn zoon Rudi uit bed gebeld door de territoriale bevelhebber van het leger in Apeldoorn: het schip moet achter de waterlinie worden gebracht, naar de ‘Vesting Holland’ om te voorkomen dat de lading in Duitse handen valt. Ondertussen wordt de brug over de Rijn opgeblazen, en als Rudi de kade op fietst, zie hij nog net het schip tegen de instortende brug aanvaren. Daar gaat ons kapitaal, flitst het even door zijn hoofd, maar de boot ligt klem en blijft intact. De bemanning van Freijer, een kannonneerboot van de Nederlandse marine die in de buurt is, probeert daarna het olieschip alsnog tot zinken te brengen. Zonder resultaat. In overleg met de kapitein worden de vaten voorlopig opgeslagen in de magazijnen van de firma Simon'. 


Bestuurlijk actief
Moritz houdt zich niet alleen bezig met de handel, maar levert ook zijn bijdrage aan de Joodse gemeente. In de loop van 1928 treedt hij toe tot het Dagelijksch Bestuur en Kerkeraad van de Hoofdsynagoge Arnhem. Die functie blijft hij uitoefenen tot in de oorlogsjaren. Hij zit ook in de leiding van het Arnhems comité voor de Joodse vluchtelingen uit Duitsland.

Gezinsoverzicht

Ida en Moritz kregen, zoals gezegd drie zonen: Julius (Jules), Heinrich (Heinz) en Rudolf Herbert (Rudi). Op hun dertiende vieren de jongens thuis bar mitswa. 
Jules
trouwde in 1934 en ging toen als eerste de deur uit. Hij bleef nog tot eind 1937, begin 1938 in Arnhem wonen. Het gezin van Jules verhuisde toen naar Deventer, waar Jules bij derden werkzaam was in de oliehandel. 
Heinz trouwde begin 1939, hij bleef in Arnhem wonen en werkte als vertegenwoordiger in oliën en vetten bij zijn vader in de zaak. Het bedrijf loopt zo goed dat in de loop van 1939 de familie verhuist naar Gerard Voethstraat 10, een riante hoekwoning in de wijk Molenbeke. 
Rudi
werkt ook bij zijn vader in het bedrijf. Hij trouwt in oktober 1941 met de Arnhemse Sonja Roos, die intrekt bij de familie Simon. 
Waarschijnlijk behoort Ida’s zus Jettchen ook tot de huishouding. Want na de machtsovername van Hitler in 1933 vluchtte de inmiddels weduwe geworden zus nog in hetzelfde jaar naar Arnhem en zal daar wellicht onderdak hebben gevonden bij haar zus Ida. In de oorlogsjaren wordt de 70-jarige Jettchen ziekelijk. Later zal ze opgenomen worden in het Joods doorgangsziekenhuis aan de Amsterdamscheweg 1. In 1941 wordt een (inwonend) dienstmeisje gevraagd.
(Advertentie in Het Joodse Weekblad van 05-12-1941)

Waarschijnlijk wordt Mariana Meijers uit Leuvenheim - een dorp tussen Dieren en Brummen - als dienstmeisje aangenomen. Zij staat ook officieel op het adres Gerard Voethstraat 10 geregistreerd. De inwoning kan mogelijk verklaard worden door de moeizame reisvergunningen voor Joden in die tijd.

(Gezinsoverzicht Moritz en Ida Simon-Hirsch)

Moritz betrapt
In december 1941 wordt Moritz 'betrapt' op het luisteren naar de Engelse radio. Margo Klijn vertelt er het volgende over:

'Op 31 december 1941 om 12 uur ’s middags gaat de 46-jarige Moritz Simon met twee anderen (Max Roos, de schoonvader van Rudi, en Willem de Hoop) naar het Philips servicestation aan de Gerard Voethstraat om er te luisteren naar de Engelse radio. Moritz en Rudi deden dat regelmatig, want de reparatiewerkplaats voor radio’s en de familie zijn directe buren- een kwestie van over een muurtje klimmen. Maar de deur van de werkplaats staat toevallig open. Een paar Duitse militairen, die een gerepareerde radio komen halen, wandelen zonder enige waarschuwing gewoon naar binnen en betrappen de luisteraars op heterdaad. De drie mannen worden gearresteerd en brengen de nacht door bij de SD aan de Utrechtseweg 55a en daarna tot 5 januari in het Huis van Bewaring in Arnhem. Achtereenvolgens brengen ze hun gevangenschap door in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, in de Deutsches Untersuchungs- und Strafgefängnis in Den Haag, in de Polizeigefängnis Scheveningen en opnieuw in Kamp Amersfoort'.

Moritz heeft het dus flink voor de kiezen gekregen. De vooronderzoeken zullen bepaald niet zachtzinnig zijn geweest. In kamp Amersfoort heerste een mensonterend regime van honger, mishandeling, dwangarbeid en executies. Moritz blijft er tot half juli 1942. Dan beginnen de eerste transporten naar vernietigingskamp Auschwitz. Voor het tweede transport worden ruim 300 joden uit kamp Amersfoort gehaald. Moritz komt ook op de lijst te staan. Op vrijdag 16 juli 1942 rijdt de trein met ruim 300 joden vroeg in de morgen van Amersfoort naar Westerbork om samen met zo’n 600 joden uit dat kamp via Assen en Nieuweschans door te rijden naar Auschwitz. 
De tocht naar Auschwitz zal Moritz bespaard blijven. Hij overlijdt onderweg tussen Amersfoort en Assen, waarschijnlijk aan een hartstilstand. Bij aankomst in Assen wordt het dode lichaam op het station gedumpt. De politie treft het lichaam om vier uur in de ochtend aan, agenten achterhalen de identiteit van de overledene en doen twee dagen later aangifte. Moritz Simon wordt in Assen begraven en na de oorlog herbegraven op Moscowa, de Joodse begraafplaats in Arnhem. 


(Overlijdensbericht in het Joodsch Weekblad van 31-07-1942)

Ida vertrekt naar Amsterdam
Ida blijft in Arnhem achter met haar zoon Rudi en diens vrouw Sonja Roos. Van de bezetter krijgen ze het bevel om naar Amsterdam te verhuizen. Volgens een bericht in de Arnhemsche Courant van 16 maart 1942 vertrekken Rudi en Sonja vanuit de Gerard Voethstraat naar Amsterdam. Volgens haar persoonskaart van kamp Westerbork verhuist Ida van de Gerard Voethstraat naar Rijnstraat 137-II in Amsterdam. Woont ze daar dan samen met Rudi en Sonja? Op een zeker moment vertrekken Rudi en Sonja om naar Zwitserland vluchten. Is dat voor Ida het sein om weer te verhuizen? Want dan vindt ze onderdak bij haar in 1938 gevluchte broer Carl op Vechtstraat 11-III in Amsterdam. Op 5 april 1943 vertrekt ze zonder een nieuw adres achter te laten. Ze duikt onder in Deventer, maar wordt verraden en opgepakt. Op 18 juni 1943 komt ze in kamp Westerbork terecht. Op 29 juni wordt ze op de trein gezet naar Sobibor om drie dagen later te worden vergast.


(Persoonskaart van Ida Simon-Hirsch)

De lotgevallen van de zonen Jules, Heinz en Rudi 
Jules Simon
Oudste zoon Jules krijgt vanuit Arnhem een relatie met de Duitse Lieselotte (Lotte) Falkenstein uit Reckinghausen, een stad in het noorden van het Ruhrgebied. Door de dreigende ontwikkelingen in Duitsland vlucht Lotte. Half 1933 wordt ze in Rotterdam geregistreerd op Milderstraat 39a, zij is dan zonder beroep en statenloos. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat ze daarna zonder paspoort weer naar Duitsland is teruggekeerd. Maar als het stel zich half januari 1934 verlooft, woont Lotte en haar familie volgens de aankondiging in Recklinghausen. Bij het huwelijk wonen ze volgens de aankondiging en ook volgens de trouwakte in Dortmund, vermoedelijk een formele kwestie. Bij het burgerlijk huwelijk in Arnhem is moeder Falkenstein niet aanwezig. Oom Nathan Mogendorff is getuige. Jules staat in de akte vermeld als koopman. 

(Aankondigingen in de AC van 05-01-1934 en in de AC van 20-09-1934)

Het stel gaat op Huijgenslaan 42 wonen. Jules staat te boek als handelsreiziger. Ze krijgen twee zonen. Omstreeks begin 1938 verhuist het gezin naar Deventer. De jongste wordt na de verhuizing in het Gemeente Ziekenhuis in Arnhem geboren.
Jules wordt met zijn ervaring in het bedrijf van zijn vader directeur van Twentol, de voormalige ‘Twentsche Oliehandel’ in Deventer. Het bedrijf levert naast smeeroliën ook teerproducten. Tijdens de eerste bezettingsjaren doet hij alles wat in zijn vermogen ligt om de Deventer Joden bij te staan. Zo neemt de leiding op zich van de Joodse Raad van Deventer en van twee Joodse ziekenhuisjes. Hij zal daardoor tot het laatst toe gevrijwaard blijven van deportatie.Hij onderhoudt contacten met het Deventer Verzet en met de Duitse Sicherheitsdienst (SD). Hoe was dat laatste mogelijk? Een voormalige vertegenwoordiger van Twentol - ene Berends -  was toegetreden tot de SD in Arnhem. Berends was een communistenjager, maar niet antisemitisch. Het staat vast dat hij zo lang mogelijk geprobeerd heeft zijn voormalige werkgever Jules de hand boven het hoofd te houden. En Jules heeft van zijn contacten met Berends wel eens geprofiteerd ten behoeve van opgejaagde Joden. Twee keer worden het gezin door de bezetter opgepakt en beide keren weet Berend het gezin weer vrij te krijgen. Uiteindelijk wordt de grond zo heet onder hun voeten dat ze besluiten onder te duiken. Hun beide zonen krijgen een tijdelijke schuilplaats in Hulst in Zeeuws-Vlaanderen. Jules en Lotte duiken eerst nog onder in Deventer en besluiten dan om naar Zwitserland te vluchten. 
Daar was Jules’ jongste broer Rudi eerder naar toe gevlucht. Rudi schakelt het Nederlands-Parijse ondergrondse netwerk in om het gezin te helpen ontsnappen. Met valse documenten en instructies om te ontsnappen worden Jules en Lotte op 24 januari 1944 met hun zonen herenigd nabij de Nederlands-Belgische grens. Zeven dagen later komen ze veilig aan in Zwitserland. 
Na de bevrijding keerde het gezin terug in Deventer. Enkele jaren later neemt Jules zitting in de kerkenraad van de Joodse Gemeente. Later verhuizen ze naar Rotterdam, waar Jules hoofd verkoop wordt op het kantoor Gulf Oil. Hij wordt drager van het Verzetsherdenkingskruis. De beide zonen trouwen en krijgen elk twee kinderen. Jules wordt 83 jaar oud en Lotte 81. Ze zijn op de joodse begraafplaats in Arnhem begraven. 

[Over hun verblijf in Deventer is meer te lezen op de website: https://onderduikhuizenvoorjodenindeventer.nl/locaties/grote-overstraat-51-simon-falkenstein]

Heinz Simon
Heinz krijgt een relatie met Sylva Edith Braaf, in het vervolg Sylva genoemd. Zij komt uit Winschoten. Ze verloven zich in de zomer van 1938 en trouwen in januari 1939. Het huwelijk wordt voltrokken in Winschoten.

 

 (Verlovingsbericht in het NIW van 15-07-1938 en trouwbericht in de AC van 27-12-1938)

 

Het stel gaat op Utrechtscheweg 155 (nu nummer 249) in Arnhem wonen. Heinz staat te boek als reiziger in olie en vetten. Hij werkt als vertegenwoordiger bij het bedrijf van zijn vader. De bezetter laat hen ongemoeid tot eind 1942. Dan slaat het noodlot toe. Ze worden opgepakt bij de grote razzia in de avond van 10 december en worden afgevoerd naar kamp Westerbork. Daar worden ze de volgende dag ingeschreven. Ze blijven er ruim twee maanden. Op 16 februari 1943 worden ze op de trein gezet naar Auschwitz. Drie dagen later wordt Sylva vermoord in de gaskamers. De 34-jarige Heinz wordt geselecteerd om te werken. Het zal uitstel van executie zijn. Want doorgaans werken gevangenen zich binnen enkele maanden letterlijk dood door het zware werk, het gebrek aan voldoende voedsel, de slechte hygiënische omstandigheden en/of een besmettelijke ziekte. 

(Persoonskaart van Heinz Simon)

Volgens Joods Monument komt Heinz op 16 februari 1943 om in Warschau. Op de  overlijdensakte staat echter de datum 30-04-1943. De rechtbank in Den Haag heeft de datum in 1956 officieel vastgesteld op de laatste dag van de maand april. Hiermee wordt aangegeven  dat de exacte overlijdensdatum niet bekend is.

Rudi Simon
Over Rudi is betrekkelijk weinig te vinden. We moeten het vooral hebben van wat Margo Klijn over hem schrijft in haar boek en van de foto's in haar boek.

Rudi kon redelijk voetballen. In 1935 speelde hij in het derde elftal van Vitesse. Hij werkte als koopman bij zijn vader op het bedrijf. 

(Derde elftal van Vitesse met twee ‘joodse jongens’ rond 1935: keeper Theo Spanjaard vooraan in het midden en derde van links Rudi Simon, foto privé collectie)


Rudi krijgt een relatie met de Arnhemse Sonja Roos. Van Sonja is bekend dat ze van 30-11-1937 tot 30-08-1938 verkoopster was in Rotterdam en van daar naar Rijswijk verhuisde. Als ze op 4 september 1941 in ondertrouw gaan is er nog niets aan de hand.

(Aankondigingen in de AC van 17-03-1941 en van 04-09-1941)

Margo Klijn schreef het volgende over de start van hun huwelijk:

'Tot de eersten die in Arnhem onderduiken, behoort Rudi Simon. Op de dag van de eerste razzia in oktober 1941 zijn hij en zijn vriendin Sonja Roos langs geweest bij hun vriend Bram de Vries van de Oranjeapotheek aan de Koningstraat. Ze herinneren zich de datum en de dag zo goed, omdat het een week voor hun huwelijk was. Zij fietsen het Velperplein op en zien Duitse legerwagens vol bewapende militairen de Nieuwstad inrijden. Rudi is niet van plan om enig risico te lopen en belt, in een telefooncel bij V&D, zijn moeder om te zeggen dat hij niet thuis komt. Die was al door een politieagent voor de razzia gewaarschuwd, en ze vindt het een verstandig besluit. Rudi en Sonja fietsen naar De Klomp bij Veenendaal, waar zij tot aan hun huwelijk op 6 oktober zullen blijven bij een bevriende klant, de garage- en benzinepomphouder ‘De Drie’. Om veiligheidsredenen wordt hun huwelijk bij de bruid thuis aam de Ernst Casimirlaan 19 voltrokken. Dat kon ook goed, want een choepa (een joods huwelijk) hoeft niet per se in de synagoge plaats te vinden. Na de plechtigheid reizen Rudi en Sonja samen naar Veenendaal terug, waar de familie Van der Meene heeft gezorgd voor een geweldig diner'.

 


(Huwelijk [Choepa} van Rudi en Sonja bij de familie Roos thuis, v.l.n.r. Machiel Pinto, de moeders Simon en Roos, het bruidspaar, Iman Modiefksy en vader Moritz Simon, foto privé collectie} 

 
Later keert de rust terug en gaan ze weer terug naar huis. Op 16 oktober 1941 trouwen ze op het stadhuis. Sonja trekt in bij de familie Simon. Op 31 december 1941 worden hun vaders door de Duitsers gesnapt bij het luisteren naar de ‘Engelse Radio’ en opgepakt. De mannen zullen het niet overleven. Vijf maanden na hun huwelijk vertrekken Rudi en Sonja  op 16 maart 1942 naar Amsterdam. Dit vormt mogelijk de opmaat voor hun vlucht naar het buitenland. Het lukt ze na een zware tocht naar Zwitserland te vluchten. Vanuit het veilige Zwitserland weten ze ook nog een succesvolle vlucht te regelen voor het gezin van broer Jules. Na de oorlog keren Rudi en Sonja terug naar de woning aan de Gerhard Voethstraat 10.

 

februari 2026

 

Bronnen

Margo Klijn, De stille slag, joodse Arnhemmers 1933-1940, Westervoort [Arnhem], 2003 / 2014

www.joodsmonument.nl

www.wiewaswie.nl

www.delphi.nl

www.oorlogsbronnen.nl

Arnhemse adresboeken

 

Verwijzing

Op 29 september 2025 werden voor Moritz en Ida struikelstenen gelegd op de Gerhard Voethstraat 10. Zie ook de persoonlijke pagina's van Moritz en Ida Simon-Hirsch op deze site.

Verhalen

Simon's Oliehandel aan de Driekoningendwarsstraat

Jans Askes

Vanuit Duitsland streek Moses Simon - roepnaam Moritz - in het Arnhemse Spijkerkwartier neer en bouwde daar een handel op in olie en aanverwante artikelen. Het familiebedrijf floreerde tot de Tweede Wereldoorlog. Door de bezetter werd het 'Joodse' bedrijf en zijn eigenaar getroffen door de anti-joodse maatregelen. Op oudejaarsdag 1941 werd Moritz ook nog eens betrapt op het illegaal luisteren naar de Engelse radio. Hij werd opgepakt en zou nooit meer thuiskomen. Ook zijn vrouw Ida en hun middelste zoon Heinz overleefden de oorlog niet. De beide andere zonen Jules en Rudi konden vluchten. Hieronder het verhaal van de familie Simon en de opkomst en ondergang van het bedrijf.

 

Moritz Simon en Ida Hirsch
Moses (Moritz) Simon werd in 1877 in Thalfang bij Trier geboren. Magnus Simon en Rosina Moos waren zijn ouders. Op jonge leeftijd vertrok hij naar Arnsberg ten oosten van Dortmund, waar de basis zou worden gelegd voor zijn bedrijf in Arnhem. Hij trof daar Simon Steinmann, een handelaar in oliën en vetten voor gebruik in de techniek. 'Simon Steinmann führte einen Handel mit technischen Ölen und Fetten', staat er in een boek over joden in Arnsberg en omgeving. Steinmann was getrouwd met Jettchen Hirsch, de zus van Ida Hirsch met wie Moritz Simon later mee zou trouwen. 
Kwam Moritz bij Steinmann aan het werk? Kwam hij daar zijn toekomstige vrouw Ida tegen? Het heeft er alle schijn van. Ida Hirsch werd in 1878 geboren in Burgsteinfurt zo’n 40 km over de grens bij Enschede. Zij was de jongste dochter van Hirsch Hirsch en Johanna Meijer. Selma Hirsch, een andere dochter, verhuisde in 1902 van Burgsteinfurt naar Arnhem waar zij met de Arnhemse handelaar Nathan Mogendorff trouwde.


Olie en vetwaren
In 1904 besluit Moritz om een bedrijf in olie en vetwaren te beginnen in Arnhem. Hij wordt daarin gesteund door zijn zwager Simon Steinmann in Arnsberg. Misschien gaan ze wel samenwerken, want Moritz richt zich op de import van zijn koopwaar. Zijn zwager Nathan Mogendorff uit Arnhem zal daartoe het nodige voorwerk hebben verricht. Eind november 1904 vertrekt Moritz naar Arnhem. Hij krijgt onderdak bij zijn toekomstige schoonfamilie aan de Driekoningendwarsstraat, een bescheiden straat in het Spijkerkwartier. Op nummer 69 vindt hij een geschikte woning en Moritz en Ida besluiten te trouwen. In de Arnhemsche Courant van 17 maart 1905 kondigt de gemeente Burgsteinfurt het voorgenomen huwelijk aan van Moritz en Ida, waarna het huwelijk in mei 1905 wordt voltrokken.

(Moritz Simon en Ida Simon-Hirsch, foto privé collectie)

 

Start aan de Driekoningendwarsstraat
Moritz Simon begint zijn bedrijf op zijn woonadres Driekoningendwarsstraat 69. Zijn zwager Nathan zal hem daarbij zeker hebben geholpen, hij kende de weg en sprak ook de Nederlandse  taal. Moritz zal tot en met 1941 te boek staan als grossier in olie- en vetwaren. Na de verhuizing naar nummer 38 blijft het pand op Driekoningendwarsstraat 69 in gebruik als magazijn. 
In de eerste twee jaar maakt hij als 'handelsagent' uitgebreid reclame in het Arnhems adressenboek met de focus op olie en vetwaren. Daarnaast verkoopt hij onder andere dekkleden, paardendekens, pakkingen voor machinerieën, poetskantoen, drijfriemen, carbolineum en teer. De keuze voor de handel in olie en vetwaren pakt goed uit. In 1917 wordt in de Arnhemsche Courant veelvuldig reclame gemaakt voor de import van oliën en vetten. Daarnaast wordt de aandacht gevestigd op de specialiteit in zadelmakersartikelen. Klanten kunnen zich melden op het adres Driekoningendwarstaat 38.

In 1919 staat het bedrijf op een stand bij een tentoonstelling en maakt daar reclame voor veel andere producten dan olie en vetten. Klanten kunnen zich nu ook melden bij het magazijn op Driekoningendwarstaat 69a. 

Uitbreiding aan de Telegraafstraat

Het bedrijf draait goed. De twee oudste zonen Jules en Heinz helpen mee in de zaak. Omstreeks 1930 vindt de eerste uitbreiding plaats en wel direct om de hoek in de Telegraafstraat, een doodlopend zijstraatje in de richting van de Steenstraat. Een pand komt daar vrij en het wordt in gebruik genomen voor de opslag van olie.

(Jongste zoon Rudi Simon, zijn moeder Ida Simon-Hirsch en Bram van der Horst ca 1930 in de Telegraafstraat met uiterst rechts olievaten, foto privé collectie)

 
Het werk trekt aan. De twee oudste zonen Jules en Heinz zijn dan al in de twintig en Rudi, de jongste gaat nog naar de HBS. Eind 1930 wordt in de Arnhemsche Courant een advertentie geplaatst voor een mannelijke jongste bediende. Er wordt niet meer geadverteerd onder de naam M. Simon, maar onder 'Simon’s Oliehandel' op Driekoningendwarsstraat 69a. Ook naar buiten toe is de onderneming een familiebedrijf geworden. De focus lijkt geheel op de handel in olie te liggen.
In de loop van 1938 komt het pand naast de olieopslag vrij. Het wordt bij het bedrijf getrokken. Tussen 1939-1942 staan de beide panden te boek als verfmenginrichting.


(
Moritz Simon, 5e van links op werkbezoek in Antwerpen 1936 bij Gulf, foto privé collectie)

10 mei 1940, uit bed gebeld

Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers Nederland binnen. Het bedrijf krijgt er direct mee te maken. In het boek van Margo Klijn, 'De stille slag, Joodse Arnhemmers,1933-1945'  lezen we het volgende:

'10 mei 1940. Aan de Rijnkade ligt een schip met een lading olie. Eigenaar is de firma Simon, een groot importbedrijf voor olie en benzine in de Driekoningendwarsstraat, met vlakbij, in de Telegraafstraat, een olieopslag en een verffabriek. Het is 10 mei 1940, de zon is nog niet op. Om ongeveer 4 uur worden [Moritz} Simon en zijn zoon Rudi uit bed gebeld door de territoriale bevelhebber van het leger in Apeldoorn: het schip moet achter de waterlinie worden gebracht, naar de ‘Vesting Holland’ om te voorkomen dat de lading in Duitse handen valt. Ondertussen wordt de brug over de Rijn opgeblazen, en als Rudi de kade op fietst, zie hij nog net het schip tegen de instortende brug aanvaren. Daar gaat ons kapitaal, flitst het even door zijn hoofd, maar de boot ligt klem en blijft intact. De bemanning van Freijer, een kannonneerboot van de Nederlandse marine die in de buurt is, probeert daarna het olieschip alsnog tot zinken te brengen. Zonder resultaat. In overleg met de kapitein worden de vaten voorlopig opgeslagen in de magazijnen van de firma Simon'. 


Bestuurlijk actief
Moritz houdt zich niet alleen bezig met de handel, maar levert ook zijn bijdrage aan de Joodse gemeente. In de loop van 1928 treedt hij toe tot het Dagelijksch Bestuur en Kerkeraad van de Hoofdsynagoge Arnhem. Die functie blijft hij uitoefenen tot in de oorlogsjaren. Hij zit ook in de leiding van het Arnhems comité voor de Joodse vluchtelingen uit Duitsland.

Gezinsoverzicht

Ida en Moritz kregen, zoals gezegd drie zonen: Julius (Jules), Heinrich (Heinz) en Rudolf Herbert (Rudi). Op hun dertiende vieren de jongens thuis bar mitswa. 
Jules
trouwde in 1934 en ging toen als eerste de deur uit. Hij bleef nog tot eind 1937, begin 1938 in Arnhem wonen. Het gezin van Jules verhuisde toen naar Deventer, waar Jules bij derden werkzaam was in de oliehandel. 
Heinz trouwde begin 1939, hij bleef in Arnhem wonen en werkte als vertegenwoordiger in oliën en vetten bij zijn vader in de zaak. Het bedrijf loopt zo goed dat in de loop van 1939 de familie verhuist naar Gerard Voethstraat 10, een riante hoekwoning in de wijk Molenbeke. 
Rudi
werkt ook bij zijn vader in het bedrijf. Hij trouwt in oktober 1941 met de Arnhemse Sonja Roos, die intrekt bij de familie Simon. 
Waarschijnlijk behoort Ida’s zus Jettchen ook tot de huishouding. Want na de machtsovername van Hitler in 1933 vluchtte de inmiddels weduwe geworden zus nog in hetzelfde jaar naar Arnhem en zal daar wellicht onderdak hebben gevonden bij haar zus Ida. In de oorlogsjaren wordt de 70-jarige Jettchen ziekelijk. Later zal ze opgenomen worden in het Joods doorgangsziekenhuis aan de Amsterdamscheweg 1. In 1941 wordt een (inwonend) dienstmeisje gevraagd.
(Advertentie in Het Joodse Weekblad van 05-12-1941)

Waarschijnlijk wordt Mariana Meijers uit Leuvenheim - een dorp tussen Dieren en Brummen - als dienstmeisje aangenomen. Zij staat ook officieel op het adres Gerard Voethstraat 10 geregistreerd. De inwoning kan mogelijk verklaard worden door de moeizame reisvergunningen voor Joden in die tijd.

(Gezinsoverzicht Moritz en Ida Simon-Hirsch)

Moritz betrapt
In december 1941 wordt Moritz 'betrapt' op het luisteren naar de Engelse radio. Margo Klijn vertelt er het volgende over:

'Op 31 december 1941 om 12 uur ’s middags gaat de 46-jarige Moritz Simon met twee anderen (Max Roos, de schoonvader van Rudi, en Willem de Hoop) naar het Philips servicestation aan de Gerard Voethstraat om er te luisteren naar de Engelse radio. Moritz en Rudi deden dat regelmatig, want de reparatiewerkplaats voor radio’s en de familie zijn directe buren- een kwestie van over een muurtje klimmen. Maar de deur van de werkplaats staat toevallig open. Een paar Duitse militairen, die een gerepareerde radio komen halen, wandelen zonder enige waarschuwing gewoon naar binnen en betrappen de luisteraars op heterdaad. De drie mannen worden gearresteerd en brengen de nacht door bij de SD aan de Utrechtseweg 55a en daarna tot 5 januari in het Huis van Bewaring in Arnhem. Achtereenvolgens brengen ze hun gevangenschap door in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, in de Deutsches Untersuchungs- und Strafgefängnis in Den Haag, in de Polizeigefängnis Scheveningen en opnieuw in Kamp Amersfoort'.

Moritz heeft het dus flink voor de kiezen gekregen. De vooronderzoeken zullen bepaald niet zachtzinnig zijn geweest. In kamp Amersfoort heerste een mensonterend regime van honger, mishandeling, dwangarbeid en executies. Moritz blijft er tot half juli 1942. Dan beginnen de eerste transporten naar vernietigingskamp Auschwitz. Voor het tweede transport worden ruim 300 joden uit kamp Amersfoort gehaald. Moritz komt ook op de lijst te staan. Op vrijdag 16 juli 1942 rijdt de trein met ruim 300 joden vroeg in de morgen van Amersfoort naar Westerbork om samen met zo’n 600 joden uit dat kamp via Assen en Nieuweschans door te rijden naar Auschwitz. 
De tocht naar Auschwitz zal Moritz bespaard blijven. Hij overlijdt onderweg tussen Amersfoort en Assen, waarschijnlijk aan een hartstilstand. Bij aankomst in Assen wordt het dode lichaam op het station gedumpt. De politie treft het lichaam om vier uur in de ochtend aan, agenten achterhalen de identiteit van de overledene en doen twee dagen later aangifte. Moritz Simon wordt in Assen begraven en na de oorlog herbegraven op Moscowa, de Joodse begraafplaats in Arnhem. 


(Overlijdensbericht in het Joodsch Weekblad van 31-07-1942)

Ida vertrekt naar Amsterdam
Ida blijft in Arnhem achter met haar zoon Rudi en diens vrouw Sonja Roos. Van de bezetter krijgen ze het bevel om naar Amsterdam te verhuizen. Volgens een bericht in de Arnhemsche Courant van 16 maart 1942 vertrekken Rudi en Sonja vanuit de Gerard Voethstraat naar Amsterdam. Volgens haar persoonskaart van kamp Westerbork verhuist Ida van de Gerard Voethstraat naar Rijnstraat 137-II in Amsterdam. Woont ze daar dan samen met Rudi en Sonja? Op een zeker moment vertrekken Rudi en Sonja om naar Zwitserland vluchten. Is dat voor Ida het sein om weer te verhuizen? Want dan vindt ze onderdak bij haar in 1938 gevluchte broer Carl op Vechtstraat 11-III in Amsterdam. Op 5 april 1943 vertrekt ze zonder een nieuw adres achter te laten. Ze duikt onder in Deventer, maar wordt verraden en opgepakt. Op 18 juni 1943 komt ze in kamp Westerbork terecht. Op 29 juni wordt ze op de trein gezet naar Sobibor om drie dagen later te worden vergast.


(Persoonskaart van Ida Simon-Hirsch)

De lotgevallen van de zonen Jules, Heinz en Rudi 
Jules Simon
Oudste zoon Jules krijgt vanuit Arnhem een relatie met de Duitse Lieselotte (Lotte) Falkenstein uit Reckinghausen, een stad in het noorden van het Ruhrgebied. Door de dreigende ontwikkelingen in Duitsland vlucht Lotte. Half 1933 wordt ze in Rotterdam geregistreerd op Milderstraat 39a, zij is dan zonder beroep en statenloos. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat ze daarna zonder paspoort weer naar Duitsland is teruggekeerd. Maar als het stel zich half januari 1934 verlooft, woont Lotte en haar familie volgens de aankondiging in Recklinghausen. Bij het huwelijk wonen ze volgens de aankondiging en ook volgens de trouwakte in Dortmund, vermoedelijk een formele kwestie. Bij het burgerlijk huwelijk in Arnhem is moeder Falkenstein niet aanwezig. Oom Nathan Mogendorff is getuige. Jules staat in de akte vermeld als koopman. 

(Aankondigingen in de AC van 05-01-1934 en in de AC van 20-09-1934)

Het stel gaat op Huijgenslaan 42 wonen. Jules staat te boek als handelsreiziger. Ze krijgen twee zonen. Omstreeks begin 1938 verhuist het gezin naar Deventer. De jongste wordt na de verhuizing in het Gemeente Ziekenhuis in Arnhem geboren.
Jules wordt met zijn ervaring in het bedrijf van zijn vader directeur van Twentol, de voormalige ‘Twentsche Oliehandel’ in Deventer. Het bedrijf levert naast smeeroliën ook teerproducten. Tijdens de eerste bezettingsjaren doet hij alles wat in zijn vermogen ligt om de Deventer Joden bij te staan. Zo neemt de leiding op zich van de Joodse Raad van Deventer en van twee Joodse ziekenhuisjes. Hij zal daardoor tot het laatst toe gevrijwaard blijven van deportatie.Hij onderhoudt contacten met het Deventer Verzet en met de Duitse Sicherheitsdienst (SD). Hoe was dat laatste mogelijk? Een voormalige vertegenwoordiger van Twentol - ene Berends -  was toegetreden tot de SD in Arnhem. Berends was een communistenjager, maar niet antisemitisch. Het staat vast dat hij zo lang mogelijk geprobeerd heeft zijn voormalige werkgever Jules de hand boven het hoofd te houden. En Jules heeft van zijn contacten met Berends wel eens geprofiteerd ten behoeve van opgejaagde Joden. Twee keer worden het gezin door de bezetter opgepakt en beide keren weet Berend het gezin weer vrij te krijgen. Uiteindelijk wordt de grond zo heet onder hun voeten dat ze besluiten onder te duiken. Hun beide zonen krijgen een tijdelijke schuilplaats in Hulst in Zeeuws-Vlaanderen. Jules en Lotte duiken eerst nog onder in Deventer en besluiten dan om naar Zwitserland te vluchten. 
Daar was Jules’ jongste broer Rudi eerder naar toe gevlucht. Rudi schakelt het Nederlands-Parijse ondergrondse netwerk in om het gezin te helpen ontsnappen. Met valse documenten en instructies om te ontsnappen worden Jules en Lotte op 24 januari 1944 met hun zonen herenigd nabij de Nederlands-Belgische grens. Zeven dagen later komen ze veilig aan in Zwitserland. 
Na de bevrijding keerde het gezin terug in Deventer. Enkele jaren later neemt Jules zitting in de kerkenraad van de Joodse Gemeente. Later verhuizen ze naar Rotterdam, waar Jules hoofd verkoop wordt op het kantoor Gulf Oil. Hij wordt drager van het Verzetsherdenkingskruis. De beide zonen trouwen en krijgen elk twee kinderen. Jules wordt 83 jaar oud en Lotte 81. Ze zijn op de joodse begraafplaats in Arnhem begraven. 

[Over hun verblijf in Deventer is meer te lezen op de website: https://onderduikhuizenvoorjodenindeventer.nl/locaties/grote-overstraat-51-simon-falkenstein]

Heinz Simon
Heinz krijgt een relatie met Sylva Edith Braaf, in het vervolg Sylva genoemd. Zij komt uit Winschoten. Ze verloven zich in de zomer van 1938 en trouwen in januari 1939. Het huwelijk wordt voltrokken in Winschoten.

 

 (Verlovingsbericht in het NIW van 15-07-1938 en trouwbericht in de AC van 27-12-1938)

 

Het stel gaat op Utrechtscheweg 155 (nu nummer 249) in Arnhem wonen. Heinz staat te boek als reiziger in olie en vetten. Hij werkt als vertegenwoordiger bij het bedrijf van zijn vader. De bezetter laat hen ongemoeid tot eind 1942. Dan slaat het noodlot toe. Ze worden opgepakt bij de grote razzia in de avond van 10 december en worden afgevoerd naar kamp Westerbork. Daar worden ze de volgende dag ingeschreven. Ze blijven er ruim twee maanden. Op 16 februari 1943 worden ze op de trein gezet naar Auschwitz. Drie dagen later wordt Sylva vermoord in de gaskamers. De 34-jarige Heinz wordt geselecteerd om te werken. Het zal uitstel van executie zijn. Want doorgaans werken gevangenen zich binnen enkele maanden letterlijk dood door het zware werk, het gebrek aan voldoende voedsel, de slechte hygiënische omstandigheden en/of een besmettelijke ziekte. 

(Persoonskaart van Heinz Simon)

Volgens Joods Monument komt Heinz op 16 februari 1943 om in Warschau. Op de  overlijdensakte staat echter de datum 30-04-1943. De rechtbank in Den Haag heeft de datum in 1956 officieel vastgesteld op de laatste dag van de maand april. Hiermee wordt aangegeven  dat de exacte overlijdensdatum niet bekend is.

Rudi Simon
Over Rudi is betrekkelijk weinig te vinden. We moeten het vooral hebben van wat Margo Klijn over hem schrijft in haar boek en van de foto's in haar boek.

Rudi kon redelijk voetballen. In 1935 speelde hij in het derde elftal van Vitesse. Hij werkte als koopman bij zijn vader op het bedrijf. 

(Derde elftal van Vitesse met twee ‘joodse jongens’ rond 1935: keeper Theo Spanjaard vooraan in het midden en derde van links Rudi Simon, foto privé collectie)


Rudi krijgt een relatie met de Arnhemse Sonja Roos. Van Sonja is bekend dat ze van 30-11-1937 tot 30-08-1938 verkoopster was in Rotterdam en van daar naar Rijswijk verhuisde. Als ze op 4 september 1941 in ondertrouw gaan is er nog niets aan de hand.

(Aankondigingen in de AC van 17-03-1941 en van 04-09-1941)

Margo Klijn schreef het volgende over de start van hun huwelijk:

'Tot de eersten die in Arnhem onderduiken, behoort Rudi Simon. Op de dag van de eerste razzia in oktober 1941 zijn hij en zijn vriendin Sonja Roos langs geweest bij hun vriend Bram de Vries van de Oranjeapotheek aan de Koningstraat. Ze herinneren zich de datum en de dag zo goed, omdat het een week voor hun huwelijk was. Zij fietsen het Velperplein op en zien Duitse legerwagens vol bewapende militairen de Nieuwstad inrijden. Rudi is niet van plan om enig risico te lopen en belt, in een telefooncel bij V&D, zijn moeder om te zeggen dat hij niet thuis komt. Die was al door een politieagent voor de razzia gewaarschuwd, en ze vindt het een verstandig besluit. Rudi en Sonja fietsen naar De Klomp bij Veenendaal, waar zij tot aan hun huwelijk op 6 oktober zullen blijven bij een bevriende klant, de garage- en benzinepomphouder ‘De Drie’. Om veiligheidsredenen wordt hun huwelijk bij de bruid thuis aam de Ernst Casimirlaan 19 voltrokken. Dat kon ook goed, want een choepa (een joods huwelijk) hoeft niet per se in de synagoge plaats te vinden. Na de plechtigheid reizen Rudi en Sonja samen naar Veenendaal terug, waar de familie Van der Meene heeft gezorgd voor een geweldig diner'.

 


(Huwelijk [Choepa} van Rudi en Sonja bij de familie Roos thuis, v.l.n.r. Machiel Pinto, de moeders Simon en Roos, het bruidspaar, Iman Modiefksy en vader Moritz Simon, foto privé collectie} 

 
Later keert de rust terug en gaan ze weer terug naar huis. Op 16 oktober 1941 trouwen ze op het stadhuis. Sonja trekt in bij de familie Simon. Op 31 december 1941 worden hun vaders door de Duitsers gesnapt bij het luisteren naar de ‘Engelse Radio’ en opgepakt. De mannen zullen het niet overleven. Vijf maanden na hun huwelijk vertrekken Rudi en Sonja  op 16 maart 1942 naar Amsterdam. Dit vormt mogelijk de opmaat voor hun vlucht naar het buitenland. Het lukt ze na een zware tocht naar Zwitserland te vluchten. Vanuit het veilige Zwitserland weten ze ook nog een succesvolle vlucht te regelen voor het gezin van broer Jules. Na de oorlog keren Rudi en Sonja terug naar de woning aan de Gerhard Voethstraat 10.

 

februari 2026

 

Bronnen

Margo Klijn, De stille slag, joodse Arnhemmers 1933-1940, Westervoort [Arnhem], 2003 / 2014

www.joodsmonument.nl

www.wiewaswie.nl

www.delphi.nl

www.oorlogsbronnen.nl

Arnhemse adresboeken

 

Verwijzing

Op 29 september 2025 werden voor Moritz en Ida struikelstenen gelegd op de Gerhard Voethstraat 10. Zie ook de persoonlijke pagina's van Moritz en Ida Simon-Hirsch op deze site.

 

Locatie Joods Monument Arnhem:
Kippenmarkt/Jonas Daniël Meijerplaats