Jans Askes
Het Amsterdamse echtpaar, Julius Raphaël Stokvis en Rosalie Cohen, vestigde zich na hun trouwen in Arnhem. Julius zette daar een handel op in olie en aanverwante artikelen. Tot mei 1940 was er niets aan de hand, maar met de komst van de nazi’s werd alles anders. Julius wachtte de ontwikkelingen niet af en nam een rigoreus besluit. Rosalie volgde haar man in 1943 toen ze vanuit de onderduik werd opgepakt en deportatie dreigde.
Julius Stokvis en zijn ouders
Julius Raphaël Stokvis werd in 1891 in Oss geboren. Hij was de zoon van Raphaël Stokvis en Jule Swabe. Er werden negen kinderen geboren, zes jongens en drie meisjes. Binnen een periode van drie jaar stierven drie jongetjes en één meisje nog voordat ze konden kruipen. Al was kindersterfte in de 19e eeuw niet ongewoon, het zal grote impact gehad hebben op het gezin Stokvis. Opmerkelijk is dat alle jongens de naam van hun vader Raphaël als tweede naam kregen. Julius Raphaël zal Julius als roepnaam hebben gehad. Het gezin verhuisde in mei 1895 definitief naar Amsterdam. Vader Stokvis was koopman en stond later in Amsterdam te boek als reiziger in oliën.
Elders ondergebracht
Op een gegeven moment ging het niet goed met het gezin. In 1902 werden drie kinderen elders ondergebracht. De 13-jarige Samson ging naar Apeldoorn. De 12-jarige Anna ging naar de Heldringstichting in Zetten, een Christelijk opvoedingsgesticht voor meisjes. De 10-jarige Julius ging naar het Jongenshuis in Hoenderloo, een Christelijk doorgangshuis voor jongens in de leeftijd van acht tot zestien jaar. Als Joodse kinderen waren zij ook welkom mits de Christelijke huisregels werden gerespecteerd.
De jongens gingen naar de dorpsschool, leerden een vak en als ze ver genoeg waren konden ze bij een gezin de buurt zich verder bekwamen in hun vak. Zo kwam Julius later in Apeldoorn terecht. In 1905 kwam hij nog weer even thuis en verhuisde toen achtereenvolgens naar Deventer, Zutphen (1909) en Heerde (1910), waarschijnlijk niet toevallig allemaal plaatsen in de buurt van Hoenderloo.
In februari 1915 keerde Julius als reiziger (reizend koopman) vanuit Oldenzaal terug in Amsterdam. Hij kreeg een relatie met de in 1892 geboren Rosalie Cohen. Rosalie was de dochter van de vee- en vleeshandelaar Mozes Cohen en Roosje Mok. Zij groeide op in Amsterdam met een broer en twee zussen.
Naar Arnhem
Julius en Rosalie trouwden op 10 oktober 1915 en verhuisden volgens het Amsterdams register naar Weerdjesstraat 11 in Arnhem. Ze hebben er maar kort gewoond, want in het jaar 1916 woonden ze op Nieuwstraat 3. Daar werd op 18 april 1916 ook hun zoon Maurits geboren. Het gezin verhuisde achtereenvolgens naar Apeldoornseweg 186, Utrechtseweg 154, Van Nispenstraat 5, Burgermeester Weertstraat 86 en tenslotte in 1939 naar Stationsplein 21.

(Stationsplein juli 1944, achter de tram panden westzijde met nummers Stationsplein 21-24, foto GA)
De olie en brandstoffenhandel aan de Weerdjesstraat
In het adressenboek van 1916 staat de “Geldersche Oliehandel Stokvis & Cohen” vermeld op Weerdjesstraat 11. Het bedrijf was in 1915 opgericht door Julius Stokvis en zijn zwager Abraham Cohen, de oudere broer van Rosalie. Het werd een naamloze vennootschap waarvan beiden directeur werden. Abraham en zijn vrouw Marianne Cohen-Speijer verhuisden daartoe in 1916 van Amsterdam naar Arnhem en vestigden zich op Apeldoornscheweg 64. In mei 1916 vroegen de zwagers een vergunning aan bij de gemeente voor een vetsmelterij achter de bakkerij op Weerdjesstraat 11. Eind 1918 verhuisde het bedrijf naar een magazijn aan de (Verlengde) Rijnkade 101.
Het bedrijf wordt ontbonden
De samenwerking hield echter geen stand, Julius nam in november 1919 afscheid en ging voor zich zelf verder. Vanaf zijn huisadres aan de Apeldoornscheweg 186 dreef hij onder de naam J.R.Stokvis & Co enige maanden zijn handel.

(Bericht in de Arnhemse Courant van van 03-11-1919)
Op 31 december 1919 werd de vennootschap definitief ontbonden. Neef Abraham ging door onder de naam “Gelderse Oliehandel voorheen Stokvis en Cohen”, de zaak redde het echter niet. Tot in 1922 bleven Abraham en Marianne Cohen-Speijer aan de Apeldoornscheweg 64 wonen, maar zij keerden uiteindelijk naar Amsterdam terug. Zij werden daar opgepakt en eindigden in de gaskamers van Sobibor.
J.R.Stokvis & Co
Julius Stokvis keert met zijn bedrijf terug naar de Rijnkade 101. Naast olie en teerproducten handelde hij inmiddels ook in antraciet, cokes en kolen voor de industrie. De oliehandel werd gedreven vanuit een pakhuis aan Munterstraat 6, een klein straatje dat uitkomt op de Korenmarkt. In 1930 berichtte de Arnhemsche Courant over een uitslaande brand boven oliehandel van J.R.Stokvis. De vaten met olie konden tijdig naar buiten worden gebracht, zodat de brandschade uiteindelijk meeviel. De waterschade werd door de verzekering gedekt.
Oorlog en bezetting, overlijden Julius Stokvis
Oorlog en bezetting hadden een grote impact op Julius. Hij had geen vertrouwen in de toekomst en zag geen andere uitweg dan zich op 21 mei 1940 - met vergif - het leven te benemen. Hij werd nog naar het Gemeente Ziekenhuis gebracht, maar overleed in de vroege vrijdagochtend om 2 uur. Zoals gebruikelijk deed Iman Isaak Modijefsky, koster van de synagoge, op 24 mei 1940 aangifte van zijn overlijden.
(Overlijdensbericht Julius Stokvis in de Arnhemsche Courant van 25-05-1940)
Het moet een groot drama voor Rosalie zijn geweest. Ze plaatste een overlijdensadvertentie in de Arnhemsche Courant van zaterdag 25 mei 1940. Op die dag werd Julius vanuit het ziekenhuis begraven op de Joodse begraafplaats in Arnhem. Dat is bijzonder, want op zaterdag mogen Joodse begraafplaatsen niet betreden worden. Het roept het beeld op van een begrafenis in stilte. Rosalie wilde ook 'geen rouwbeklag', zegt de advertentie. Ongetwijfeld bleef zij met het verlies van haar levenspartner met veel vragen achter.
Rosalie Stokvis-Cohen duikt onder
Julius werd begraven op de Joodse begraafplaats Moscowa. Rosalie reserveerde een graf naast haar man. Toen de dreiging van de jodenvervolging groter werd, dook ze onder bij de familie Johannes van der Meulen aan de Weg naast Klim en Dal 1. Daar was ook de familie Leffmann ondergedoken (1). Het grote tuinmanshuis werd echter vanaf januari 1943 gevorderd door de Duitsers en de familie(s) verhuisde(n) naar een veel kleinere woning op de Hoogkamp aan de Mauvestraat 60 (2). Daar woonde weduwe de Monchy geboren Jonker. De Duitsers ontdekten echter het onderduikadres en de bewoners werden gearresteerd. In de vroege ochtend van 5 oktober 1943 benam Rosalie zich in het Huis van Bewaring het leven.
(Het tuinmanshuis van Rosorum aan de Weg langs Klim en Dal 1, foto Christian Korbeld)
Na de bevrijding vertelt Eva Katzenstein, die daar met haar stiefvader Ernst Leffmann, haar moeder Käthe Salinger en andere joden ondergedoken zat: “De Duitsers kwamen achter de schuilplaats, pakten de onderduikers op en brachten ze bijeen in het Huis van Bewaring. Daar nam een van de gevangenen, mevrouw Stokvis, vergif in en overleed.“
Het gif moet Rosalie van meet af aan bij zich hebben gehad, misschien wel vanaf mei 1940.
Maurits Lodewijk (Mau) Reichenberger, hoofdvertegenwoordiger van de Joodse Raad in Gelderland, doet een dag later aangifte en verklaart: “dat op vijf October dezes jaars, vijf uur, dertig minuten, in de gemeente Arnhem is overleden: Cohen, Rosalie, oud eenenvijftig jaren, geboren te Amsterdam, zonder beroep, zonder bekende woon- of verblijfplaats, weduwe van Stokvis, Julius Raphaël, dochter van Cohen, Mozes en van Mok, Roosje, beiden overleden'.
Rosalie wordt naast haar man begraven. Pas na de oorlog kwam er een steen op haar graf.

(De graven van Julius Raphaël Stokvis en Rosalie Cohen op Moscowa, foto Joods Monument)
Zoon Maurits Stokvis vlucht
Zoon Maurits (Max) Stokvis (1916) kreeg al op jonge leeftijd een relatie met de eveneens in Arnhem geboren Grietje (Ity) Salomons. Op jonge leeftijd verloofden ze zich in 1935, trouwden in 1938 en gingen in Hilversum wonen.

(verlovingsbericht in de AC van 30-08-1935)

(ondertrouwbericht in het NIW van 25-11-1938)
Het stel bleef kinderloos. Bij het trouwen stond Max ingeschreven als koopman. Het huwelijk hield echter geen stand. Op 7 mei 1942 werd de echtscheiding door de rechter uitgesproken. Beiden waren toen woonachtig in Hilversum. Ity was zonder beroep en Max was directeur van een oliehandel. Het lijkt erop dat hij het bedrijf van zijn vader heeft overgenomen.
Volgens zeggen verliet Max rond 30 juni 1942 zijn woning in Hilversum om het land uit te vluchten. Uit een persoonskaart blijkt dat hij in augustus 1942 in Parijs gearresteerd is onder de naam Jozef Bosman en dat hij in het werkkamp Monowitz bij Auschwitz is overleden. De kaart vermeldt ook dat hij van 24-12-1938 tot 13-09-1943 op Frederik van Eedenlaan 7 in Hilversum woonden (3).
(Persoonskaart Maurits Stokvis)
Van Ity is bekend dat haar naam voorkomt op een gevangenenlijst in het kamp Pithiviers (zo’n 100 km ten zuiden van Parijs) en dat ze op 26 augustus 1942 vanuit het Franse doorgangskamp Drancy (het Franse “Westerbork” boven Parijs) naar Auschwitz is gedeporteerd en daar linea recta de gaskamers inging. Het lijkt erop dat het stel onafhankelijk van elkaar heeft geprobeerd om naar Zwitserland en/of Spanje te vluchten en dat beiden zijn gestrand in Frankrijk.
Neven en/of nichten zorgden na de bevrijding voor de grafsteen van hun lieve tante Rosalie, waarbij ze in liefde ook hun oom Julius en neef Maurits herdenken.
augustus 2025
Noten
1. Johannes van der Meulen en Ernst Leffmann hadden behalve een vriendschappelijke ook een zakelijke relatie: beiden hadden een chemisch bedrijf aan de Nieuwe Kade. Meer informatie is te vinden in het artikel van Christian Korbeld, 'De roerige jaren van Rosorum. Deel twee van het tweeluik over de geschiedenis van een Arnhems landgoed' dat in het Arnhems Historisch Tijdschrift 2023-1 verscheen.
2. Bron: gegevens Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) uit: Correspondentie met Ernst Numann september 2025.
Buurmeisje Cato (Tootje) Tjabbes (1941) van nummer 62 bracht regelmatig bezoek aan het ondergedoken Joodse echtpaar op de zolder van nummer 60. Uit: corespondentie met Bert Holsteijn juli-september 2025.
3. Joods Monument noemt Frederik van Eedenlaan 12 als woonadres.
Bronnen
Margo Klijn, De Stille slag, Joodse Arnhemmers, 1933-1945, Westervoort [Arnhem], 2003 / 2014
www.wiewaswie.nl
www.joodsmonument.nl
Arnhemse adresboeken
www.oorlogsbronnen.nl
www.Delpher.nl
Verwijzing
Op de persoonlijke pagina's van Julius Stokvis en Rosalie Stokvis-Cohen wordt naar dit verhaal verwezen.
Zie ook de passage over Heinz en Eva Katzenstein in het verhaal van Peter Jetten op deze site: Joodse Arnhemse scouts in de oorlog.
Verhalen →
Jans Askes
Het Amsterdamse echtpaar, Julius Raphaël Stokvis en Rosalie Cohen, vestigde zich na hun trouwen in Arnhem. Julius zette daar een handel op in olie en aanverwante artikelen. Tot mei 1940 was er niets aan de hand, maar met de komst van de nazi’s werd alles anders. Julius wachtte de ontwikkelingen niet af en nam een rigoreus besluit. Rosalie volgde haar man in 1943 toen ze vanuit de onderduik werd opgepakt en deportatie dreigde.
Julius Stokvis en zijn ouders
Julius Raphaël Stokvis werd in 1891 in Oss geboren. Hij was de zoon van Raphaël Stokvis en Jule Swabe. Er werden negen kinderen geboren, zes jongens en drie meisjes. Binnen een periode van drie jaar stierven drie jongetjes en één meisje nog voordat ze konden kruipen. Al was kindersterfte in de 19e eeuw niet ongewoon, het zal grote impact gehad hebben op het gezin Stokvis. Opmerkelijk is dat alle jongens de naam van hun vader Raphaël als tweede naam kregen. Julius Raphaël zal Julius als roepnaam hebben gehad. Het gezin verhuisde in mei 1895 definitief naar Amsterdam. Vader Stokvis was koopman en stond later in Amsterdam te boek als reiziger in oliën.
Elders ondergebracht
Op een gegeven moment ging het niet goed met het gezin. In 1902 werden drie kinderen elders ondergebracht. De 13-jarige Samson ging naar Apeldoorn. De 12-jarige Anna ging naar de Heldringstichting in Zetten, een Christelijk opvoedingsgesticht voor meisjes. De 10-jarige Julius ging naar het Jongenshuis in Hoenderloo, een Christelijk doorgangshuis voor jongens in de leeftijd van acht tot zestien jaar. Als Joodse kinderen waren zij ook welkom mits de Christelijke huisregels werden gerespecteerd.
De jongens gingen naar de dorpsschool, leerden een vak en als ze ver genoeg waren konden ze bij een gezin de buurt zich verder bekwamen in hun vak. Zo kwam Julius later in Apeldoorn terecht. In 1905 kwam hij nog weer even thuis en verhuisde toen achtereenvolgens naar Deventer, Zutphen (1909) en Heerde (1910), waarschijnlijk niet toevallig allemaal plaatsen in de buurt van Hoenderloo.
In februari 1915 keerde Julius als reiziger (reizend koopman) vanuit Oldenzaal terug in Amsterdam. Hij kreeg een relatie met de in 1892 geboren Rosalie Cohen. Rosalie was de dochter van de vee- en vleeshandelaar Mozes Cohen en Roosje Mok. Zij groeide op in Amsterdam met een broer en twee zussen.
Naar Arnhem
Julius en Rosalie trouwden op 10 oktober 1915 en verhuisden volgens het Amsterdams register naar Weerdjesstraat 11 in Arnhem. Ze hebben er maar kort gewoond, want in het jaar 1916 woonden ze op Nieuwstraat 3. Daar werd op 18 april 1916 ook hun zoon Maurits geboren. Het gezin verhuisde achtereenvolgens naar Apeldoornseweg 186, Utrechtseweg 154, Van Nispenstraat 5, Burgermeester Weertstraat 86 en tenslotte in 1939 naar Stationsplein 21.

(Stationsplein juli 1944, achter de tram panden westzijde met nummers Stationsplein 21-24, foto GA)
De olie en brandstoffenhandel aan de Weerdjesstraat
In het adressenboek van 1916 staat de “Geldersche Oliehandel Stokvis & Cohen” vermeld op Weerdjesstraat 11. Het bedrijf was in 1915 opgericht door Julius Stokvis en zijn zwager Abraham Cohen, de oudere broer van Rosalie. Het werd een naamloze vennootschap waarvan beiden directeur werden. Abraham en zijn vrouw Marianne Cohen-Speijer verhuisden daartoe in 1916 van Amsterdam naar Arnhem en vestigden zich op Apeldoornscheweg 64. In mei 1916 vroegen de zwagers een vergunning aan bij de gemeente voor een vetsmelterij achter de bakkerij op Weerdjesstraat 11. Eind 1918 verhuisde het bedrijf naar een magazijn aan de (Verlengde) Rijnkade 101.
Het bedrijf wordt ontbonden
De samenwerking hield echter geen stand, Julius nam in november 1919 afscheid en ging voor zich zelf verder. Vanaf zijn huisadres aan de Apeldoornscheweg 186 dreef hij onder de naam J.R.Stokvis & Co enige maanden zijn handel.

(Bericht in de Arnhemse Courant van van 03-11-1919)
Op 31 december 1919 werd de vennootschap definitief ontbonden. Neef Abraham ging door onder de naam “Gelderse Oliehandel voorheen Stokvis en Cohen”, de zaak redde het echter niet. Tot in 1922 bleven Abraham en Marianne Cohen-Speijer aan de Apeldoornscheweg 64 wonen, maar zij keerden uiteindelijk naar Amsterdam terug. Zij werden daar opgepakt en eindigden in de gaskamers van Sobibor.
J.R.Stokvis & Co
Julius Stokvis keert met zijn bedrijf terug naar de Rijnkade 101. Naast olie en teerproducten handelde hij inmiddels ook in antraciet, cokes en kolen voor de industrie. De oliehandel werd gedreven vanuit een pakhuis aan Munterstraat 6, een klein straatje dat uitkomt op de Korenmarkt. In 1930 berichtte de Arnhemsche Courant over een uitslaande brand boven oliehandel van J.R.Stokvis. De vaten met olie konden tijdig naar buiten worden gebracht, zodat de brandschade uiteindelijk meeviel. De waterschade werd door de verzekering gedekt.
Oorlog en bezetting, overlijden Julius Stokvis
Oorlog en bezetting hadden een grote impact op Julius. Hij had geen vertrouwen in de toekomst en zag geen andere uitweg dan zich op 21 mei 1940 - met vergif - het leven te benemen. Hij werd nog naar het Gemeente Ziekenhuis gebracht, maar overleed in de vroege vrijdagochtend om 2 uur. Zoals gebruikelijk deed Iman Isaak Modijefsky, koster van de synagoge, op 24 mei 1940 aangifte van zijn overlijden.
(Overlijdensbericht Julius Stokvis in de Arnhemsche Courant van 25-05-1940)
Het moet een groot drama voor Rosalie zijn geweest. Ze plaatste een overlijdensadvertentie in de Arnhemsche Courant van zaterdag 25 mei 1940. Op die dag werd Julius vanuit het ziekenhuis begraven op de Joodse begraafplaats in Arnhem. Dat is bijzonder, want op zaterdag mogen Joodse begraafplaatsen niet betreden worden. Het roept het beeld op van een begrafenis in stilte. Rosalie wilde ook 'geen rouwbeklag', zegt de advertentie. Ongetwijfeld bleef zij met het verlies van haar levenspartner met veel vragen achter.
Rosalie Stokvis-Cohen duikt onder
Julius werd begraven op de Joodse begraafplaats Moscowa. Rosalie reserveerde een graf naast haar man. Toen de dreiging van de jodenvervolging groter werd, dook ze onder bij de familie Johannes van der Meulen aan de Weg naast Klim en Dal 1. Daar was ook de familie Leffmann ondergedoken (1). Het grote tuinmanshuis werd echter vanaf januari 1943 gevorderd door de Duitsers en de familie(s) verhuisde(n) naar een veel kleinere woning op de Hoogkamp aan de Mauvestraat 60 (2). Daar woonde weduwe de Monchy geboren Jonker. De Duitsers ontdekten echter het onderduikadres en de bewoners werden gearresteerd. In de vroege ochtend van 5 oktober 1943 benam Rosalie zich in het Huis van Bewaring het leven.
(Het tuinmanshuis van Rosorum aan de Weg langs Klim en Dal 1, foto Christian Korbeld)
Na de bevrijding vertelt Eva Katzenstein, die daar met haar stiefvader Ernst Leffmann, haar moeder Käthe Salinger en andere joden ondergedoken zat: “De Duitsers kwamen achter de schuilplaats, pakten de onderduikers op en brachten ze bijeen in het Huis van Bewaring. Daar nam een van de gevangenen, mevrouw Stokvis, vergif in en overleed.“
Het gif moet Rosalie van meet af aan bij zich hebben gehad, misschien wel vanaf mei 1940.
Maurits Lodewijk (Mau) Reichenberger, hoofdvertegenwoordiger van de Joodse Raad in Gelderland, doet een dag later aangifte en verklaart: “dat op vijf October dezes jaars, vijf uur, dertig minuten, in de gemeente Arnhem is overleden: Cohen, Rosalie, oud eenenvijftig jaren, geboren te Amsterdam, zonder beroep, zonder bekende woon- of verblijfplaats, weduwe van Stokvis, Julius Raphaël, dochter van Cohen, Mozes en van Mok, Roosje, beiden overleden'.
Rosalie wordt naast haar man begraven. Pas na de oorlog kwam er een steen op haar graf.

(De graven van Julius Raphaël Stokvis en Rosalie Cohen op Moscowa, foto Joods Monument)
Zoon Maurits Stokvis vlucht
Zoon Maurits (Max) Stokvis (1916) kreeg al op jonge leeftijd een relatie met de eveneens in Arnhem geboren Grietje (Ity) Salomons. Op jonge leeftijd verloofden ze zich in 1935, trouwden in 1938 en gingen in Hilversum wonen.

(verlovingsbericht in de AC van 30-08-1935)

(ondertrouwbericht in het NIW van 25-11-1938)
Het stel bleef kinderloos. Bij het trouwen stond Max ingeschreven als koopman. Het huwelijk hield echter geen stand. Op 7 mei 1942 werd de echtscheiding door de rechter uitgesproken. Beiden waren toen woonachtig in Hilversum. Ity was zonder beroep en Max was directeur van een oliehandel. Het lijkt erop dat hij het bedrijf van zijn vader heeft overgenomen.
Volgens zeggen verliet Max rond 30 juni 1942 zijn woning in Hilversum om het land uit te vluchten. Uit een persoonskaart blijkt dat hij in augustus 1942 in Parijs gearresteerd is onder de naam Jozef Bosman en dat hij in het werkkamp Monowitz bij Auschwitz is overleden. De kaart vermeldt ook dat hij van 24-12-1938 tot 13-09-1943 op Frederik van Eedenlaan 7 in Hilversum woonden (3).
(Persoonskaart Maurits Stokvis)
Van Ity is bekend dat haar naam voorkomt op een gevangenenlijst in het kamp Pithiviers (zo’n 100 km ten zuiden van Parijs) en dat ze op 26 augustus 1942 vanuit het Franse doorgangskamp Drancy (het Franse “Westerbork” boven Parijs) naar Auschwitz is gedeporteerd en daar linea recta de gaskamers inging. Het lijkt erop dat het stel onafhankelijk van elkaar heeft geprobeerd om naar Zwitserland en/of Spanje te vluchten en dat beiden zijn gestrand in Frankrijk.
Neven en/of nichten zorgden na de bevrijding voor de grafsteen van hun lieve tante Rosalie, waarbij ze in liefde ook hun oom Julius en neef Maurits herdenken.
augustus 2025
Noten
1. Johannes van der Meulen en Ernst Leffmann hadden behalve een vriendschappelijke ook een zakelijke relatie: beiden hadden een chemisch bedrijf aan de Nieuwe Kade. Meer informatie is te vinden in het artikel van Christian Korbeld, 'De roerige jaren van Rosorum. Deel twee van het tweeluik over de geschiedenis van een Arnhems landgoed' dat in het Arnhems Historisch Tijdschrift 2023-1 verscheen.
2. Bron: gegevens Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) uit: Correspondentie met Ernst Numann september 2025.
Buurmeisje Cato (Tootje) Tjabbes (1941) van nummer 62 bracht regelmatig bezoek aan het ondergedoken Joodse echtpaar op de zolder van nummer 60. Uit: corespondentie met Bert Holsteijn juli-september 2025.
3. Joods Monument noemt Frederik van Eedenlaan 12 als woonadres.
Bronnen
Margo Klijn, De Stille slag, Joodse Arnhemmers, 1933-1945, Westervoort [Arnhem], 2003 / 2014
www.wiewaswie.nl
www.joodsmonument.nl
Arnhemse adresboeken
www.oorlogsbronnen.nl
www.Delpher.nl
Verwijzing
Op de persoonlijke pagina's van Julius Stokvis en Rosalie Stokvis-Cohen wordt naar dit verhaal verwezen.
Zie ook de passage over Heinz en Eva Katzenstein in het verhaal van Peter Jetten op deze site: Joodse Arnhemse scouts in de oorlog.