menu  

Joods Monument Arnhem
Joods Monument Arnhem

     

     

     

     

Kreveld, van   Barend Jozeph

Adres: Josef Israelslaan 88

Barend Jozeph bereikte de leeftijd van 14 jaar

 

Geboorteplaats: Den Haag   geboortedatum 14-09-28

Plaats van overlijden: Auschwitz   sterfdatum: 10-09-43

Beroep:

 

Barend Jozeph's verhaal

https://www.joodsmonument.nl/nl/page/152220/martin-hirsekorn
https://www.joodsmonument.nl/nl/page/152218/sara-elburg

https://www.joodsmonument.nl/nl/page/138612/meyer-van-kreveld
https://www.joodsmonument.nl/nl/page/152223/barend-jozeph-van-kreveld
https://www.joodsmonument.nl/nl/page/152221/jozeph-van-kreveld

Begin 1942 gaan twee Arnhemse agenten van politie, zij worden ook wel 'buitengewoon gemeenteveldwachter' genoemd, bij enkele winkeliers langs om een onderzoek in te stellen. Hieronder een fragment uit hun rapport over Martin Hirsekorn.

Martin Hirsekorn is evenals Siegel een Duitse vluchteling. Hij woont in een pension aan de Josef Israëlslaan en heeft daar een afzonderlijke zit-en slaapkamer. Hij is vertegenwoordiger van enkele buitenlandse fabrikanten. Van de handel is niets meer in voorraad, maar Hirsekorn heeft nog wel een kist met gereedschappen staan, bestaande uit 'hamers, tangen, boren enz. alsmede vijf lijmtangen en een fiets'. Een uittreksel van de Kamer voor Koophandel en een ontvangstbevestiging van het Bureau Voorbereiding Groothandel worden door de agent in beslag genomen.

Uit: Margo Klijn, De stille slag. Joodse Arnhemmers 1933-1945, Westervoort [Arnhem], 2003 / 2014, pagina 124


(v.l.n.r. Barend, Sara en Jozeph, foto Joods Monument)


Over Sara Elburg en haar kinderen Barend  Jozeph en Jozeph van Kreveld

Wie waren Sara Elburg en haar zonen Barend Jozeph en Jozeph van Kreveld?
Jans Askes deed onderzoek. HIeronder staan zijn bevindingen.

 

Sara Elburg
Sara Elburg was een dochter van de Hilversumse koopman Barend Elburg Bertha en Gottschalk. Zij trouwden in augustus 1899 in  Bertha’s geboorteplaats Ahaus, dat zo’n 15 km tover de grens ligt bij Enschede. Het stel vestigde zich in Hilversum. Vader Elburg overleed in 1924 en liet zijn vrouw achter met  zeven ongetrouwde kinderen, vier zonen en drie dochters. 

Sara was de oudste. Zij groeide op in een godsdienstig gezin. Eén van haar broers zou godsdienstleraar worden en een ander zelfs voorganger in de Nederlands Israëlitische Gemeente van Lochem. Sara was naaister. Zij trouwde eind 1927 met de in Amsterdam geboren Meijer van Kreveld. Meijer was acht maanden daarvoor van Hilversum naar Den Haag vertrokken. Het stel vestigde zich in Den Haag. In 1928 werd Barend Jozeph geboren en in 1931 Jozeph. Eind 1933 verhuisde het gezin naar Hilversum. Eind 1933 keerde de familie terug naar Hilversum en later verhuisden ze naar Amsterdam. Het huwelijk hield echter geen stand. Op verzoek van Sara werd op 8 augustus 1940 de echtscheiding uitgesproken door de rechtbank in Amsterdam. 

 

Scheiding

Na de scheiding verhuisden Sara en haar beide zonen naar Arnhem, Jozef Israëlslaan 88. Het was een bescheiden woning uit 1928. Ze was een goede naaister en had zelfs een diploma knippen. Daarnaast had ze ook nog een kostganger: Martin Hirsekorn, die in 1934 uit Duitsland was gevlucht. Martin beschikte over een afzonderlijke zit- en slaapkamer. De man was ook joods, wat vertrouwd aanvoelde, maar misschien was nog wel belangrijker dat het voedsel werd bereid volgens de joodse spijswetten. Sara en haar beide zonen verhuisden naar Schalk Burgerstraat 13 in de joodse wijk van Amsterdam, waar Sara per i juli 1942 de leiding kreeg over de naaikamer van de Joodse Raad en daarmee werd “gesperrt”. Maar aan die bescherming tegen deportaties kwam een eind en het gezin werd op 20 juni 1943 opgepakt bij een grote razzia in Oost- en Zuid-Amsterdam. Samen met meer dan 5500 andere joden gingen ze op transport naar kamp Westerbork. Op 7 september 1943 werden Sara en de jongens op de trein gezet naar Auschwitz en daar na aankomst vergast. Ze werden achtereenvolgens 43, 14 en 12 jaar oud.

Vader Meijer van Kreveld

Vader Van Kreveld stond bij zijn huwelijk te boek als reiziger (marskramer), bij de gemeente Den Haag geregistreerd als kantoorklerk en volgens zijn persoonskaart was hij accountant. Meijer woonde het laatst in Driebergen-Rijsenburg. Hij lijkt op de vlucht naar Zwitserland in Frankrijk te zijn gesnapt en vastgezet in het kamp Drancy, het Franse Westerbork. Volgens een aantekening op de achterzijde van zijn persoonskaart werd hij vandaar op 26 augustus 1942 op de trein gezet naar Auschwitz en zou daar drie dagen later worden vergast. 

 

Zijn persoonskaart meldt dat hij met Naatje Elburg was, een vrijgezelle zus van zijn ex. Ze woonden bij elkaar in het park Welgelegen en Meijer zal dus wel bij zijn vroegere schoonzus zijn ingetrokken. Sommige sites suggereren dat ze met elkaar waren getrouwd, maar dat klopt waarschijnlijk niet. Hun overlijdensakten bij de gemeente Driebergen-Rijsenburg maken daar in ieder geval geen melding van. Wel lijkt Naatje samen met Meijer op de vlucht te zijn geweest. Van 25 juli tot 8 augustus 1942 was ze gehuisvest (geïnterneerd?) in Pontarlier nabij de Zwitserse grens waarna ze naar Duitsland werd gedeporteerd. Pas in 1955 ontving de gemeente Driebergen-Rijsenburg bericht van de minister van Justitie dat Naatje op 9 augustus in Europa was overleden. 

 

Jans Askes, Arnhem 03-10-2025

 

Over Martin HIrsekorn
Wie was Martin Hirsekorn? Jans Askes deed onderzoek. HIeronder staan zijn bevindingen.

 

Martin Hirsekorn is in 1897 geboren in het toenmalig Duitse Schönlanke, een stadje onder de rook van Posen, het huidige Poolse Poznan, een stadje met een grote joodse gemeenschap. Martin  was de zoon van Max Marcus Hirsekorn en Jenny Davidsohn. 

(Meubelfabriek  Steinhagen & Hirsekorn op Wilhelmstrasse 30 met vermoedelijk het woongedeelte van de familie Hirsekorn)

Vader Max Hirsekorn richtte een meubelfabriek op. Het bedrijf werd in 1929 overgenomen door zijn zoon Martin maar helaas niet voor lange tijd. Met een tussenstop in Berlijn vluchtte Martin in 1934 naar Nederland. Vanaf december 1934 kreeg Martin met behulp van lokale joden onderdak in Rotterdam. 
Hij begon daar als koopman (lees marskramer). Waarschijnlijk vond hij via het plaatselijke joodse netwerk weldra werk als meubelmaker bij de joodse firma Mozes Knap, waar in tweedehands meubels en brandkasten werd gehandeld. Opgegroeid in een meubelfabriek kon hij daar gemakkelijk worden ingepast bij het restaureren van meubels. Hij kreeg er een vaste relatie met zijn collega Jo Graves. Door zijn werk kwam Martin in contact met de handel in handgereedschap voor meubelmakers. Hij zag nieuwe kansen en werd na een jaar vertegenwoordiger in meubelmakers fournituren. De jaren erop bleef hij geregistreerd staan als vertegenwoordiger. Tussen februari en juli 1939 ging hij nog met de boot heen en weer naar New York. 
In mei 1940 vond het bombardement op Rotterdam plaats. Veel bedrijven waren zwaar beschadigd en Rotterdam lag op zijn gat. Half juni 1940 kreeg Martin onderdak bij Walter Klein. Walter was ook een uit Duitsland gevluchte jood en  vertegenwoordiger. Ze konden het samen goed vinden en besloten hun geluk elders te beproeven. Op 17 oktober 1940 verhuisden Martin en het echtpaar Klein naar Arnhem en kregen daar onderdak bij de niet-joodse familie Knap op Breitnerstaat 5. Na verloop van tijd trok Walter in bij Izaak Hofstede op Josef Israëlslaan 64 en Martin op nummer 88 bij de joodse pensionhoudster Sara Elburg. Hij had daar een afzonderlijke zit-en slaapkamer.  
Martin werd op een zeker moment vertegenwoordiger in koper- en ijzerwaren, in enkele buitenlandse fabrikaten. Wellicht werd hij daarbij geholpen door zijn verloofde. Zie verderop. 
Vanaf 15 september 1941 gold een reisverbod voor joden. De druk nam steeds meer toe. Begin 1942 gingen twee Arnhemse politieagenten bij enkele winkeliers langs om een onderzoek in te stellen. Ze namen ook een kijkje bij Martin Hirsekorn. Van zijn handel was niets meer in voorraad. Maar er stond nog wel een fiets en een kist met hamers, tangen, boren en vijf lijmtangen, misschien niet toevallig allemaal  gereedschappen voor meubelmakers. De agenten namen een uittreksel van de Kamer voor Koophandel en een ontvangstbevestiging van het Bureau Voorbereiding Groothandel (!) in beslag. Drie maanden later viel het doek definitief. De Rijkscommissaris sloot het bedrijf op 13 april. 


(Bericht in de Arnhemsche Courant van 19 mei 1942)

In juni 1942 vertrok Martins pensionhoudster naar Amsterdam. Het is niet bekend of Martin daarna moest verhuizen. Inmiddels werd de dreiging voor de joden steeds groter. Begin oktober vond landelijk en daarmee ook in Arnhem de eerste grote razzia plaats en was het wachten op de volgende. Martin meende aan de Duitse oproep te moeten voldoen terwijl Jo daar sterk op tegen was. Zo kon het gebeuren dat Martin in de avond van 10 december 1942 bij de tweede grote razzia werd opgepakt en afgevoerd naar kamp Westerbork. Jo, die toen bij hem op bezoek was, moest lijdelijk toezien hoe hij met zijn koffers vertrok. 
In kamp Westerbork besloot de leiding dat hij daar kon blijven. Vanwege de communicatie kregen Duitstalige gevangenen wel vaker de voorkeur bij de kampleiding. Bovendien zou hij met de status van voormalig fabrieksdirecteur te zijner tijd gemakkelijker uitgewisseld kunnen worden tegen bijvoorbeeld Duitse krijgsgevangenen. Zo werd hij op 14 september 1943 met ruim 300 anderen op de trein gezet. Er zaten veel Duitse emigranten op dit transport dat bestemd was voor Theresiënstadt. Maar omdat dat kamp toen overvol was werden zij eerst naar Bergen-Belsen gebracht. Op 25 januari 1944 reisden 283 van hen alsnog af naar Theresiënstadt. Martin bleef achter in Bergen-Belsen. Viel hij op een zeker moment in ongenade? Op 24 mei 1944 werd hij gedeporteerd naar Auschwitz en daar drie dagen later vergast. 

(Persoonskaart Martin Hirsekorn)  

De verloofde Johanna Hendrika Graves
De Gereformeerde Johanna Hendrika Graves is in 1904 te Amsterdam geboren. Haar roepnaam was Jo. Op  de MULO of  misschien ook wel MMS leerde ze haar vreemde talen. Daarnaast heeft ze met zelfstudie boekhouden, steno en  typen geleerd. In 1927 verhuisde ze op 23-jarige leeftijd naar Rotterdam, waar ze als kantoorbediende begon. Misschien van meet af aan maar in ieder geval later werkte zij bij de joodse firma Mozes Knap, waar gehandeld werd in tweedehands meubels en brandkasten. Het was een groot familiebedrijf met filialen in Rotterdam en Amsterdam. Jo was zelfstandig en integer en klom op tot procuratiehouder. Ze was gemachtigd de onderneming juridisch te vertegenwoordigen en handelingen te verrichten zoals het tekenen van contracten. Het bedrijf deed ook zaken in België waar Jo vaak naar toe moest. 
Op 14 mei 1940 vond het bombardement plaats op Rotterdam. Alle Rotterdamse filialen waren hierbij betrokken en Jo zat ineens zonder werk.   
Wat nu? Met het oog op Martins mogelijkheden begon ze een bedrijf dat agenturen (vertegenwoordigingen) verzorgde van buitenlandse firma’s in meubelmakers- en behangersfournituren, bouwbeslag, ijzer- en koperwaren; tevens transitozaken, alsmede im- en export. Niet toevallig met twee portefeuilles, waarin Martin eerder en later vertegenwoordiger was. Op 1 augustus 1940 werd de VOF  of “Vennootschap onder firma: J.Graves” ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Jo verhuisde op 31 januari 1941 naar Mesdaglaan 50 in Arnhem en kwam op loopafstand van Martins onderkomen te wonen. Op 8 maart 1941 maakte de Arnhemsche Courant melding van de binnenkomst van haar bedrijf: 

Ze bleef er wonen tot de slag om Arnhem in september 1944. De Duitsers dwongen daarop de Arnhemse bevolking tot evacuatie. Waarschijnlijk vond Jo toen onderdak bij haar vrijgezelle zus Sophie in Amsterdam, vanwaar ze na de oorlog het Rode Kruis benaderde met de vraag om opheldering  over Martin. Jo zou gedurende haar hele leven het werk voortzetten waar ze in 1941 mee begon, bleef trouw aan de klus die ze met Martin had opgezet. Ze bleef ongehuwd, was een sterke persoonlijkheid en gevormd door twee wereldoorlogen. Ze was bijna 90 jaar oud toen ze overleed. 

 

Drie joodse vertegenwoordigers op de Hoogkamp
In eerste instantie gaat deze geschiedenis over Martin Hirsekorn. Maar het verhaal is pas compleet als daarin ook zijn vroegere huisgenoot en/of buren Walter Klein en Izaak Hofstede worden meegenomen.  
In 1940 streken de joodse mannen Hofstede, Klein en Hirsekorn vanuit Rotterdam als vertegenwoordiger neer op de Arnhemse Hoogkamp. Hoe raakten ze daar verzeild en wat waren hun onderlinge relaties? 
Hofstede kwam begin 1940 aan in Arnhem en nog in het zelfde jaar betrok hij met zijn gezin een woning op Josef Israëlslaan 64. 
Klein en Hirsekorn verkasten beiden op 17 oktober 1940 vanuit dezelfde woning in Rotterdam en vonden onderdak op Breitnerstraat 5 in Arnhem, in een zijstraat van de Josef Israëlslaan. Klein trok vandaar in bij de familie Hofstede.
Hirsekorn verkaste naar een pension op Josef Israëlslaan 88, slechts twaalf deuren verder dan de andere beide mannen. 
Tenslotte verhuisde Jo Graves, de verloofde van Martin Hirsekorn, op 31 januari 1941 van Rotterdam naar Mesdaglaan 50 in Arnhem. Daar woonde zij op loopafstand van Hirsekorn. De niet-joodse Graves koppelde personen als vertegenwoordiger aan buitenlandse bedrijven. Dat neemt niet weg dat ze heel goed in staat was om ook binnen de landsgrenzen te opereren. 

Het was oorlogstijd en de vraag doet zich daarbij voor of dit allemaal wel een toevallige samenloop van omstandig-heden was. Alle vier personen verhuisden namelijk omstreeks de zelfde tijd van Rotterdam naar dezelfde buurt in Arnhem. De mannen kenden elkaar vanuit de joodse gemeenschap in Rotterdam en werden elkaars huisgenoten en/of buren. Alle drie waren vertegenwoordiger, waarbij Jo Graves kan hebben bemiddeld. Het lijkt erop dat alles min of meer een voorop gezet plan was, maar helaas is dit niet te verifiëren. 

mei 2026, Jans Askes


Bronnen: 
www.oorlogsbronnen.nl
https://www.bundesarchiv.de/gedenkbuch/de
Margo Klijn, De stille slag. Joodse Arnhemmers 1933-1945
website geni.com
de Centrale Europese Cartotheek (CEC) via het Rode Kruis
www.wiewaswie.nl
www.delpher.nl
https://www.joodserfgoedrotterdam.nl/
Arnhemse adressenboeken
Gerard Dogger, tantezegger van Jo Graves.  

 

Struikelstenen
Op 29 september 2025 werden struikelstenen gelegd voor de oud-bewoners van Josef Israëlslaan 88 op initiatief van de huidige bewoonster.

Kreveld, van   Barend Jozeph

Adres: Josef Israelslaan 88

Barend Jozeph bereikte de leeftijd van 14 jaar

 

Geboorteplaats: Den Haag   geboortedatum 14-09-28

Plaats van overlijden: Auschwitz   sterfdatum: 10-09-43

Beroep:

 

Barend Jozeph's verhaal

https://www.joodsmonument.nl/nl/page/152220/martin-hirsekorn
https://www.joodsmonument.nl/nl/page/152218/sara-elburg

https://www.joodsmonument.nl/nl/page/138612/meyer-van-kreveld
https://www.joodsmonument.nl/nl/page/152223/barend-jozeph-van-kreveld
https://www.joodsmonument.nl/nl/page/152221/jozeph-van-kreveld

Begin 1942 gaan twee Arnhemse agenten van politie, zij worden ook wel 'buitengewoon gemeenteveldwachter' genoemd, bij enkele winkeliers langs om een onderzoek in te stellen. Hieronder een fragment uit hun rapport over Martin Hirsekorn.

Martin Hirsekorn is evenals Siegel een Duitse vluchteling. Hij woont in een pension aan de Josef Israëlslaan en heeft daar een afzonderlijke zit-en slaapkamer. Hij is vertegenwoordiger van enkele buitenlandse fabrikanten. Van de handel is niets meer in voorraad, maar Hirsekorn heeft nog wel een kist met gereedschappen staan, bestaande uit 'hamers, tangen, boren enz. alsmede vijf lijmtangen en een fiets'. Een uittreksel van de Kamer voor Koophandel en een ontvangstbevestiging van het Bureau Voorbereiding Groothandel worden door de agent in beslag genomen.

Uit: Margo Klijn, De stille slag. Joodse Arnhemmers 1933-1945, Westervoort [Arnhem], 2003 / 2014, pagina 124


(v.l.n.r. Barend, Sara en Jozeph, foto Joods Monument)


Over Sara Elburg en haar kinderen Barend  Jozeph en Jozeph van Kreveld

Wie waren Sara Elburg en haar zonen Barend Jozeph en Jozeph van Kreveld?
Jans Askes deed onderzoek. HIeronder staan zijn bevindingen.

 

Sara Elburg
Sara Elburg was een dochter van de Hilversumse koopman Barend Elburg Bertha en Gottschalk. Zij trouwden in augustus 1899 in  Bertha’s geboorteplaats Ahaus, dat zo’n 15 km tover de grens ligt bij Enschede. Het stel vestigde zich in Hilversum. Vader Elburg overleed in 1924 en liet zijn vrouw achter met  zeven ongetrouwde kinderen, vier zonen en drie dochters. 

Sara was de oudste. Zij groeide op in een godsdienstig gezin. Eén van haar broers zou godsdienstleraar worden en een ander zelfs voorganger in de Nederlands Israëlitische Gemeente van Lochem. Sara was naaister. Zij trouwde eind 1927 met de in Amsterdam geboren Meijer van Kreveld. Meijer was acht maanden daarvoor van Hilversum naar Den Haag vertrokken. Het stel vestigde zich in Den Haag. In 1928 werd Barend Jozeph geboren en in 1931 Jozeph. Eind 1933 verhuisde het gezin naar Hilversum. Eind 1933 keerde de familie terug naar Hilversum en later verhuisden ze naar Amsterdam. Het huwelijk hield echter geen stand. Op verzoek van Sara werd op 8 augustus 1940 de echtscheiding uitgesproken door de rechtbank in Amsterdam. 

 

Scheiding

Na de scheiding verhuisden Sara en haar beide zonen naar Arnhem, Jozef Israëlslaan 88. Het was een bescheiden woning uit 1928. Ze was een goede naaister en had zelfs een diploma knippen. Daarnaast had ze ook nog een kostganger: Martin Hirsekorn, die in 1934 uit Duitsland was gevlucht. Martin beschikte over een afzonderlijke zit- en slaapkamer. De man was ook joods, wat vertrouwd aanvoelde, maar misschien was nog wel belangrijker dat het voedsel werd bereid volgens de joodse spijswetten. Sara en haar beide zonen verhuisden naar Schalk Burgerstraat 13 in de joodse wijk van Amsterdam, waar Sara per i juli 1942 de leiding kreeg over de naaikamer van de Joodse Raad en daarmee werd “gesperrt”. Maar aan die bescherming tegen deportaties kwam een eind en het gezin werd op 20 juni 1943 opgepakt bij een grote razzia in Oost- en Zuid-Amsterdam. Samen met meer dan 5500 andere joden gingen ze op transport naar kamp Westerbork. Op 7 september 1943 werden Sara en de jongens op de trein gezet naar Auschwitz en daar na aankomst vergast. Ze werden achtereenvolgens 43, 14 en 12 jaar oud.

Vader Meijer van Kreveld

Vader Van Kreveld stond bij zijn huwelijk te boek als reiziger (marskramer), bij de gemeente Den Haag geregistreerd als kantoorklerk en volgens zijn persoonskaart was hij accountant. Meijer woonde het laatst in Driebergen-Rijsenburg. Hij lijkt op de vlucht naar Zwitserland in Frankrijk te zijn gesnapt en vastgezet in het kamp Drancy, het Franse Westerbork. Volgens een aantekening op de achterzijde van zijn persoonskaart werd hij vandaar op 26 augustus 1942 op de trein gezet naar Auschwitz en zou daar drie dagen later worden vergast. 

 

Zijn persoonskaart meldt dat hij met Naatje Elburg was, een vrijgezelle zus van zijn ex. Ze woonden bij elkaar in het park Welgelegen en Meijer zal dus wel bij zijn vroegere schoonzus zijn ingetrokken. Sommige sites suggereren dat ze met elkaar waren getrouwd, maar dat klopt waarschijnlijk niet. Hun overlijdensakten bij de gemeente Driebergen-Rijsenburg maken daar in ieder geval geen melding van. Wel lijkt Naatje samen met Meijer op de vlucht te zijn geweest. Van 25 juli tot 8 augustus 1942 was ze gehuisvest (geïnterneerd?) in Pontarlier nabij de Zwitserse grens waarna ze naar Duitsland werd gedeporteerd. Pas in 1955 ontving de gemeente Driebergen-Rijsenburg bericht van de minister van Justitie dat Naatje op 9 augustus in Europa was overleden. 

 

Jans Askes, Arnhem 03-10-2025

 

Over Martin HIrsekorn
Wie was Martin Hirsekorn? Jans Askes deed onderzoek. HIeronder staan zijn bevindingen.

 

Martin Hirsekorn is in 1897 geboren in het toenmalig Duitse Schönlanke, een stadje onder de rook van Posen, het huidige Poolse Poznan, een stadje met een grote joodse gemeenschap. Martin  was de zoon van Max Marcus Hirsekorn en Jenny Davidsohn. 

(Meubelfabriek  Steinhagen & Hirsekorn op Wilhelmstrasse 30 met vermoedelijk het woongedeelte van de familie Hirsekorn)

Vader Max Hirsekorn richtte een meubelfabriek op. Het bedrijf werd in 1929 overgenomen door zijn zoon Martin maar helaas niet voor lange tijd. Met een tussenstop in Berlijn vluchtte Martin in 1934 naar Nederland. Vanaf december 1934 kreeg Martin met behulp van lokale joden onderdak in Rotterdam. 
Hij begon daar als koopman (lees marskramer). Waarschijnlijk vond hij via het plaatselijke joodse netwerk weldra werk als meubelmaker bij de joodse firma Mozes Knap, waar in tweedehands meubels en brandkasten werd gehandeld. Opgegroeid in een meubelfabriek kon hij daar gemakkelijk worden ingepast bij het restaureren van meubels. Hij kreeg er een vaste relatie met zijn collega Jo Graves. Door zijn werk kwam Martin in contact met de handel in handgereedschap voor meubelmakers. Hij zag nieuwe kansen en werd na een jaar vertegenwoordiger in meubelmakers fournituren. De jaren erop bleef hij geregistreerd staan als vertegenwoordiger. Tussen februari en juli 1939 ging hij nog met de boot heen en weer naar New York. 
In mei 1940 vond het bombardement op Rotterdam plaats. Veel bedrijven waren zwaar beschadigd en Rotterdam lag op zijn gat. Half juni 1940 kreeg Martin onderdak bij Walter Klein. Walter was ook een uit Duitsland gevluchte jood en  vertegenwoordiger. Ze konden het samen goed vinden en besloten hun geluk elders te beproeven. Op 17 oktober 1940 verhuisden Martin en het echtpaar Klein naar Arnhem en kregen daar onderdak bij de niet-joodse familie Knap op Breitnerstaat 5. Na verloop van tijd trok Walter in bij Izaak Hofstede op Josef Israëlslaan 64 en Martin op nummer 88 bij de joodse pensionhoudster Sara Elburg. Hij had daar een afzonderlijke zit-en slaapkamer.  
Martin werd op een zeker moment vertegenwoordiger in koper- en ijzerwaren, in enkele buitenlandse fabrikaten. Wellicht werd hij daarbij geholpen door zijn verloofde. Zie verderop. 
Vanaf 15 september 1941 gold een reisverbod voor joden. De druk nam steeds meer toe. Begin 1942 gingen twee Arnhemse politieagenten bij enkele winkeliers langs om een onderzoek in te stellen. Ze namen ook een kijkje bij Martin Hirsekorn. Van zijn handel was niets meer in voorraad. Maar er stond nog wel een fiets en een kist met hamers, tangen, boren en vijf lijmtangen, misschien niet toevallig allemaal  gereedschappen voor meubelmakers. De agenten namen een uittreksel van de Kamer voor Koophandel en een ontvangstbevestiging van het Bureau Voorbereiding Groothandel (!) in beslag. Drie maanden later viel het doek definitief. De Rijkscommissaris sloot het bedrijf op 13 april. 


(Bericht in de Arnhemsche Courant van 19 mei 1942)

In juni 1942 vertrok Martins pensionhoudster naar Amsterdam. Het is niet bekend of Martin daarna moest verhuizen. Inmiddels werd de dreiging voor de joden steeds groter. Begin oktober vond landelijk en daarmee ook in Arnhem de eerste grote razzia plaats en was het wachten op de volgende. Martin meende aan de Duitse oproep te moeten voldoen terwijl Jo daar sterk op tegen was. Zo kon het gebeuren dat Martin in de avond van 10 december 1942 bij de tweede grote razzia werd opgepakt en afgevoerd naar kamp Westerbork. Jo, die toen bij hem op bezoek was, moest lijdelijk toezien hoe hij met zijn koffers vertrok. 
In kamp Westerbork besloot de leiding dat hij daar kon blijven. Vanwege de communicatie kregen Duitstalige gevangenen wel vaker de voorkeur bij de kampleiding. Bovendien zou hij met de status van voormalig fabrieksdirecteur te zijner tijd gemakkelijker uitgewisseld kunnen worden tegen bijvoorbeeld Duitse krijgsgevangenen. Zo werd hij op 14 september 1943 met ruim 300 anderen op de trein gezet. Er zaten veel Duitse emigranten op dit transport dat bestemd was voor Theresiënstadt. Maar omdat dat kamp toen overvol was werden zij eerst naar Bergen-Belsen gebracht. Op 25 januari 1944 reisden 283 van hen alsnog af naar Theresiënstadt. Martin bleef achter in Bergen-Belsen. Viel hij op een zeker moment in ongenade? Op 24 mei 1944 werd hij gedeporteerd naar Auschwitz en daar drie dagen later vergast. 

(Persoonskaart Martin Hirsekorn)  

De verloofde Johanna Hendrika Graves
De Gereformeerde Johanna Hendrika Graves is in 1904 te Amsterdam geboren. Haar roepnaam was Jo. Op  de MULO of  misschien ook wel MMS leerde ze haar vreemde talen. Daarnaast heeft ze met zelfstudie boekhouden, steno en  typen geleerd. In 1927 verhuisde ze op 23-jarige leeftijd naar Rotterdam, waar ze als kantoorbediende begon. Misschien van meet af aan maar in ieder geval later werkte zij bij de joodse firma Mozes Knap, waar gehandeld werd in tweedehands meubels en brandkasten. Het was een groot familiebedrijf met filialen in Rotterdam en Amsterdam. Jo was zelfstandig en integer en klom op tot procuratiehouder. Ze was gemachtigd de onderneming juridisch te vertegenwoordigen en handelingen te verrichten zoals het tekenen van contracten. Het bedrijf deed ook zaken in België waar Jo vaak naar toe moest. 
Op 14 mei 1940 vond het bombardement plaats op Rotterdam. Alle Rotterdamse filialen waren hierbij betrokken en Jo zat ineens zonder werk.   
Wat nu? Met het oog op Martins mogelijkheden begon ze een bedrijf dat agenturen (vertegenwoordigingen) verzorgde van buitenlandse firma’s in meubelmakers- en behangersfournituren, bouwbeslag, ijzer- en koperwaren; tevens transitozaken, alsmede im- en export. Niet toevallig met twee portefeuilles, waarin Martin eerder en later vertegenwoordiger was. Op 1 augustus 1940 werd de VOF  of “Vennootschap onder firma: J.Graves” ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Jo verhuisde op 31 januari 1941 naar Mesdaglaan 50 in Arnhem en kwam op loopafstand van Martins onderkomen te wonen. Op 8 maart 1941 maakte de Arnhemsche Courant melding van de binnenkomst van haar bedrijf: 

Ze bleef er wonen tot de slag om Arnhem in september 1944. De Duitsers dwongen daarop de Arnhemse bevolking tot evacuatie. Waarschijnlijk vond Jo toen onderdak bij haar vrijgezelle zus Sophie in Amsterdam, vanwaar ze na de oorlog het Rode Kruis benaderde met de vraag om opheldering  over Martin. Jo zou gedurende haar hele leven het werk voortzetten waar ze in 1941 mee begon, bleef trouw aan de klus die ze met Martin had opgezet. Ze bleef ongehuwd, was een sterke persoonlijkheid en gevormd door twee wereldoorlogen. Ze was bijna 90 jaar oud toen ze overleed. 

 

Drie joodse vertegenwoordigers op de Hoogkamp
In eerste instantie gaat deze geschiedenis over Martin Hirsekorn. Maar het verhaal is pas compleet als daarin ook zijn vroegere huisgenoot en/of buren Walter Klein en Izaak Hofstede worden meegenomen.  
In 1940 streken de joodse mannen Hofstede, Klein en Hirsekorn vanuit Rotterdam als vertegenwoordiger neer op de Arnhemse Hoogkamp. Hoe raakten ze daar verzeild en wat waren hun onderlinge relaties? 
Hofstede kwam begin 1940 aan in Arnhem en nog in het zelfde jaar betrok hij met zijn gezin een woning op Josef Israëlslaan 64. 
Klein en Hirsekorn verkasten beiden op 17 oktober 1940 vanuit dezelfde woning in Rotterdam en vonden onderdak op Breitnerstraat 5 in Arnhem, in een zijstraat van de Josef Israëlslaan. Klein trok vandaar in bij de familie Hofstede.
Hirsekorn verkaste naar een pension op Josef Israëlslaan 88, slechts twaalf deuren verder dan de andere beide mannen. 
Tenslotte verhuisde Jo Graves, de verloofde van Martin Hirsekorn, op 31 januari 1941 van Rotterdam naar Mesdaglaan 50 in Arnhem. Daar woonde zij op loopafstand van Hirsekorn. De niet-joodse Graves koppelde personen als vertegenwoordiger aan buitenlandse bedrijven. Dat neemt niet weg dat ze heel goed in staat was om ook binnen de landsgrenzen te opereren. 

Het was oorlogstijd en de vraag doet zich daarbij voor of dit allemaal wel een toevallige samenloop van omstandig-heden was. Alle vier personen verhuisden namelijk omstreeks de zelfde tijd van Rotterdam naar dezelfde buurt in Arnhem. De mannen kenden elkaar vanuit de joodse gemeenschap in Rotterdam en werden elkaars huisgenoten en/of buren. Alle drie waren vertegenwoordiger, waarbij Jo Graves kan hebben bemiddeld. Het lijkt erop dat alles min of meer een voorop gezet plan was, maar helaas is dit niet te verifiëren. 

mei 2026, Jans Askes


Bronnen: 
www.oorlogsbronnen.nl
https://www.bundesarchiv.de/gedenkbuch/de
Margo Klijn, De stille slag. Joodse Arnhemmers 1933-1945
website geni.com
de Centrale Europese Cartotheek (CEC) via het Rode Kruis
www.wiewaswie.nl
www.delpher.nl
https://www.joodserfgoedrotterdam.nl/
Arnhemse adressenboeken
Gerard Dogger, tantezegger van Jo Graves.  

 

Struikelstenen
Op 29 september 2025 werden struikelstenen gelegd voor de oud-bewoners van Josef Israëlslaan 88 op initiatief van de huidige bewoonster.

 

Locatie Joods Monument Arnhem:
Kippenmarkt/Jonas Daniël Meijerplaats